OVER DE OPHEFFING VAN DE ADVIESRAAD

Wijbrandt H. van Schuur, Haren (Groningen)

9 augustus 2002

 

Als net nieuwgekozen lid van de Adviesraad, die zich nauwelijke bewust was van de dreigende opheffing daarvan, vind ik het stuk van Theo Veltman (discussiestuk op www.ongehoord.net ) over de opheffing van de AR bijzonder interessant. Net als zoveel andere bijdragen op www.democraten.nu  en  www.ongehoord.net gaat het ook hier om de beste oplossing voor de spanning tussen deskundigheid en democratie, en tussen de politieke partij als een kaderpartij of als een politieke gemeenschap. Ik wil eerst iets zeggen over wat ‘deskundigheid’ betekent voor een politieke discussie, dan uitleggen waarom het met die interne politieke discussie vaak structureel misgaat, en vervolgens komen met een aanvulling op het voorstel van Veltman c.s.. Het zal de lezer niet verbazen dat ik niet meteen sta te jubelen bij het voorstel tot afschaffing van de Adviesraad.

 

 

Over deskundigheid.

 

Op welk moment kan een leek het gepresenteerde gedachtengoed van een deskundige bevatten, zodanig dat hij of zij daarover een oordeel kan vellen? Wat maakt iemand tot een deskundige op een bepaald gebied? Niet zozeer de manier van denken of van redeneren. Ik neem aan dat de leden van D66 met hun ‘redelijk alternatieve’ insteek bevatbaar zijn voor overreding op basis van begrijpelijke en juiste argumenten en op basis van logische redeneringen.  Een deskundige is iemand die we (moeten) kunnen vertrouwen om een oordeel te kunnen geven over de juistheid en volledigheid van de gebruikte argumentatie.

 

Belangenloze deskundigen zijn er maar weinig. Vaak zijn mensen juist deskundig omdat een bepaald belang op het spel staat. Het belang van een bepaalde overheidsorganisatie, een bedrijf, een koepelorganisatie of een andere maatschappelijke instelling. Het vraagt ook deskundigheid om ‘het speelveld’ te kunenen overzien, om te weten welke belangen op het spel staan, en dus welke verschillende deskundigen er zijn.

 

Belanghebbende deskundigen zullen vaak verschillend oordelen over de waarde van verschillende soorten argumenten, en zullen daarom in hun presentatie de neiging hebben om alleen die argumenten naar voren te brengen die zij zelf het meest waardevol vinden. Kortom: ze zijn dus meestal niet volledig.

 

Ook zal er tussen deskundigen wel gestreden worden over de juistheid van bepaalde argumenten.  Dit is heel belangrijk: deskundigen bepalen in hun discussies over de juistheid van hun argumenten de “breedte” van het argument. Om een oud voorbeeld te geven: deskundige voor- en tegenstanders van kernenergie verschilden in de jaren tachtig in hun oordeel over de relatie tussen de groei van de economie en de groei van het energiegebruik. Voorstanders meenden dat voor 1% economische groei minder dan 1% toename in de energiebehoefte nodig was, terwijl tegenstanders juist meenden dat dat juist meer dan 1% was. “En zo zie je maar, de deskundigen zijn het niet met elkaar eens, en dus geldt dat Anything Goes”. Nee hoor. De voorstanders van kernenergie meenden dat er ongeveer 0.95% toename in de energiebehoefte nodig was, en de tegenstanders dachten aan 1.05%. Kortom: zover lagen ze niet uit elkaar. Ook al zijn deskundigen het niet met elkaar eens, dan nog is er een Groot Gebied in de argumentatie waarover ze het wel eens zijn. Voor een leek is het dan de kunst die “breedte” te kunnen bepalen.

 

 

Over democratie en deskundigheid.

 

In een democratie moet de burger kunnen beslissen op basis van zo goed mogelijke informatie. Burgers zullen dan alsnog verschillend kunnen beslissen, omdat ze in hun op zich logische redeneringen uit kunnen gaan van verschillende normatieve premissen: hun ideologische uitgangspunten. Burgers met vergelijkbare ideologische uitgangspunten organiseren zich om op die manier macht en invloed te ontwikkelen bij het nemen van beslissingen over de organisatie van de samenleving. Dat gebeurt ook in D66 (of “bij De Democraten”).

 

Er zijn mensen die bereid zijn om die beslissingen aan anderen over te laten. Die stemmen niet, of die stemmen op een persoon (of groep personen) die ze voldoende vertrouwen  voor de behartiging van hun belangen. Daar is op zich niets tegen. Maar er zijn daarnaast genoeg mensen die wel degelijk zelf willen meedenken en meebeslissen over de toekomst van hun samenleving. Dat zijn de mensen die zich hebben georganiseerd in een politieke partij.

 

Alom – en niet alleen binnen D66, maar je hoort en merkt het ook binnen andere politieke partijen in Nederland – wordt momenteel de frustratie uitgesproken dat die meningsvorming bij het individuele partijlid niet tot bloei komt. Ik heb daar zelf ook de meest onfrisse staaltjes van meegemaakt binnen D66.  Informatie over welke konkrete problemen er spelen, hoe die gedefinieerd worden, aan welke oplossingsstrategieen gedacht wordt, komt lang niet altijd boven tafel op lokale afdelingsvergaderingen.

 

 

Waarom het zo vaak structureel mis gaat met de interne politieke discussie.

 

Onze volksvertegenwoordigers, de D66-gemeenteraadsleden, hebben de meeste kennis, en dus ook de meeste macht, en het meeste belang bij een consistente politieke lijn. Wanneer er op een bepaald gebied besluiten genomen zijn, dan is het belang ontstaan om die besluiten ook verder te verdedigen. Maar dat gebeurt dan soms door er niet of te weinig over door te praten, en om partijleden met kritische vragen of andere opvattingen onvoldoende serieus te nemen. 

 

Het is goed te begrijpen dat de D66-volksvertegenwoordigers de belangrijkste en machtigste groep is binnen de partij. Uiteindelijk zijn zij degenen die het D66-gedachtengoed uitdragen, en die daar -- tegen een zekere vergoeding -- al gauw een halve werkweek mee kwijt zijn. Bij alle landelijke partijen hebben we het inmiddels ook wel gezien: als er onverhoopt een konflikt uitbreekt tussen de Tweede Kamerfraktie en het landelijk partijbestuur, dan wint de Tweede Kamerfraktie het altijd.

 

 

Over het (democratische) belang van het individuele partijlid.

 

Van een partij die de democratie zo hoog in haar vaandel heeft staan, dat termen als ‘sociaal’ en ‘liberaal’ daarbij op het tweede plan komen, mag een voorbeeldfunktie worden verwacht over de manier waarop wordt omgegaan met de belangen van het individuele partijlid. Hoe krijgen we D66 weer democratisch? Hoe maken we van onze partij een organisatie waarin het Hoogstaande Debat weer wordt gevoerd? [Nogmaals: deze vraag wordt in andere partijen ook gesteld.]

 

Ook het voorstel van Veltman c.s. over een alternatief voor de Adviesraad gaat in essentie over deze vraag.  De essentie van hun voorstel is dat er een Kleine Kerngroep komt die dit debat faciliteert. De leden van die Kleine Kerngroep zijn schapen met zes poten (vijf is niet genoeg). Ze hebben niet alleen een ‘helicopterview’, maar hebben bovendien voldoende kennis en kontakten om op allerlei gebieden de noodzakelijke deskundigheid te entameren.

 

Waar het misgaat met hun voorstel is het vervolg: Stel de Kleine Kerngroep heeft een fantastische voorzet gegeven voor een Hoogstaand Debat. Wat nu?  Volgens het voorstel organiseert de Kleine Kerngroep de dialoog  “door te zorgen voor een uitnodiging aan leden via de Democraat, Internet, regio- en afdelingsvergaderingen of anderszins”. Tja, daar heb je het nou net.  De suggestie wordt gewekt alsof er dan “vanzelf” de mooiste debatten ontstaan, waarvan de resultaten ons dan “via het Internet” weer zullen bereiken.

 

Naar mijn mening ontbreekt er in dit voorstel een zeer fundamenteel aspect, namelijk de prikkel voor het individuele lid om daadwerkelijk mee te doen aan zo’n debat. Die prikkel zou kunnen ontstaan wanneer we een cultuuromslag in onze afdelingsvergaderingen zouden weten te bewerkstelligen, waarin we individuele leden om toerbeurt vragen om de discussie over een bepaald onderwerp voor te bereiden.  In principe komen alle leden in aanmerking om een onderwerp in te leiden, daarbij geholpen door de faciliterende Kerngroep.

 

Leden worden pas geinteresseerd wanneer ze worden geactiveerd. De suggestie dat individuele leden geen debat kunnen voorbereiden, omdat ze onvoldoende kennis van zaken hebben, is een empirische vraag. In sommige gevallen zal dat inderdaad juist zijn.  Maar er zal een cultuur ontstaan waarin de Goede Voorbeelden leiden tot vruchtbare discussies. En leden die eenmaal een debat hebben mogen voorbereiden zullen in de regel vaker meedoen met de debatten dan daarvoor.

 

Met de toenemende secularisering in Nederland neemt niet de behoefte af om deelgenoot te zijn van een gemeenschap van gelijkdenkenden die zich bezig houden met vragen over De Zin Van Het Bestaan, of De Toekomst Van De Samenleving. Politieke partijen zouden zulke instituties moeten en kunnen zijn. Juist in een samenleving waarin het opleidingsniveau in de laatste dertig jaar enorm gestegen is, en juist in een partij waarin veel leden een hoge opleiding genoten hebben moet het mogelijk zijn de individuele leden te helpen begrijpen hoe hun samenleving functioneert, en hoe ze deel kunnen nemen in beslissingen over hun toekomst.

 

 

Face-to-face communicatie versus internet.

 

Er is nog een tweede aspect aan dit voorstel, en dat is de gedachte dat we met elkaar kunnen communiceren zonder elkaar te zien.  Voor een deel is dat juist, maar het geeft een enorme verschraling van het gemeenschapsgevoel, het gevoel dat we Allemaal Samen lid zijn van dezelfde club. Politieke aktiviteit is ook sociale aktiviteit. Het betekent praten met mensen, elkaar leren kennen, en niet alleen elkaars standpunten over asielbeleid, windmolens of parkeerverordeningen. Het betekent ook het erkennen van elkaars nonverbale communicatie, de ‘body language’.   

 

De vier ‘kernproblemen en oplossingen’- bijeenkomsten in het land waren nuttig. Er wordt niet voor niets om een extra congres gesmeekt waar we elkaar kunnen zien. Als we de partijleider al zouden willen onttronen, dan kan dat ook schriftelijk. Maar zo gaan we niet met elkaar om! Het sociale aspect van partijcongressen is voor velen minstens zo belangrijk als het nemen van beslissingen. Dat geldt op elk niveau: ook regionaal, en ook lokaal. Dat wil zeggen dat hoe belangrijk een snelle (email) communicatie ook is, dat die geen alternatief is voor het houden van bijeenkomsten.

 

Naar mijn mening is er voldoende stof voor debat om tenminste maandelijks bijeen te komen. In een partijafdeling met 10 leden komt ieder lid dan eenmaal per jaar aan bod. Of dit een optimale frequentie is weet ik niet: minder dan eenmaal per maand betekent dat minder onderwerpen aan bod kunnen komen, en dat het onderlinge kontakt minder sterk is. Vaker dan eenmaal per maand zou kunnen betekenen dat er een te groot beslag op iemands tijd wordt gelegd. Maar ja, vroeger gingen we wel twee keer per zondag naar de kerk ...

 

 

Toch een rol voor de Adviesraad?

 

Vervolgens is er de vraag wat er gebeurt met de uitkomsten van de debatten. Vermoedelijk: heel vaak zullen de debatten instruktief zijn, en de individuele partijleden het gevoel geven dat ze nu beter begrijpen waar de discussie over gaat en waarom onze vertegenwoordigers die standpunten hebben ingenomen die ze hebben ingenomen.  En dat is dan ook voldoende.

 

Maar soms zal een debat aanleiding zijn tot een discussie op grotere schaal: van afdeling naar regio, en van regio naar landelijk. Het idee dat het voldoende zou zijn om de uitkomsten van afdelingsdebatten op internet te zetten – op zich uiteraard niets op tegen – deel ik niet. Misschien moet op dat moment de Kleine Kerngroep weer faciliteren, maar nu door zelf of bij delegatie de resultaten van de verschillende discussies samen te vatten. Hierbij zouden dan eventueel de leden van de Adviesraad een rol kunnen spelen. 

 

 

Conclusie.

 

Dit alles overziende komt het voorstel tot opheffing van de Adviesraad me als onvolledig voor. Ja, er zal meer intern debat moeten komen, en ja, als het lukt om een deskundige Kleine Kerngroep samen te stellen, dan zou dat prachtig zijn. Maar het voorstel faalt met de suggestie dat “als we alle discussie maar op internet gooien, dan komt er vanzelf wel iets goeds uit (mijn parafrase, WHvS)”. Persoonlijke face-to-face communicaties blijven essentieel. Wel zouden individuele Adviesraadleden veel meer intermediair moeten zijn tussen de afdelingen en het landelijk bestuur: nu worden ze op individuele titel gekozen, en ik heb in de jaren dat ik aktief lid ben vrijwel nooit een Adviesraadlid in aktie gezien op een afdelingsbijeenkomst.

 

Maar mijn belangrijkste kritiek is dat het voorstel tot opheffing van de Adviesraad niet de kern raakt van de democratische problematiek binnen D66. De essentie van wat ons te doen staat is het prikkelen van het individuele partijlid tot politieke activiteit. En dat kan heel goed door elk lid zijn of haar  ‘half uur van roem’ te geven als inleider en voorbereider van een interessant beslissingspunt. Dat is dan het beginpunt van een grotere politieke betrokkenheid bij de partij.