We nemen de fakkel met verve over.

Wij nemen de fakkel over van een generatie die haar eigen idealen heeft verloochend en de gevolgen van haar leer-proces heeft afgewenteld op de “verloren” generatie. De protesten van de jaren zestig verzandden in het hedonisme, de oplopende staatsschuld van de jaren zeventig, de bezuinigingen van de jaren tachtig en de nieuwe zakelijkheid van de jaren negentig. Het is de generatie van de jaren zestig: nieuw links die tot een nieuwe generatie regenten verworden is, hemelbestormers nu twijfelend aan de maakbaar-heid van de samenleving, toen voorstanders van het primaat van de politiek, nu de be-gunstigden van de priva-tise-ring van publieke taken.

In zijn column van woensdag 25 november 1998 stelde Henk Hofland de vraag wat de jongeren van D66 beweegt: “welke ervaringen tussen ongeveer 1985 en 1995 beweegt deze rebellen ertoe hun actie te ondernemen”. Ik neem als lid van “Ongehoord” de uitdaging aan, ook al ben ik ouder dan de door Hofland aangenomen 25 tot 30 jaar oud. De beweegreden van deze generatie ligt wellicht juist in het predicaat “verloren” dat anderen ons geven maar dat wij eerder als een geuzennaam dragen. De vormende ervaringen voor de verloren generatie zijn de oliecrisis “nu zal alles anders worden”, de oplopen-de werkloosheid en economische verstarring van het begin van de jaren tachtig, de vergeefse protesten tegen de kruisraketten en de bezui-ni-gingen op het hoger onderwijs in de jaren tachtig.

Wij nemen de fakkel over van een generatie die haar eigen idealen heeft verloochend en de negatieve gevolgen van haar leerproces heeft afgewenteld op de “verloren” generatie. De protesten van de jaren zestig verzandden in het hedonisme en de oplopende staatsschuld van de jaren zeventig, de bezui-ni-gingen van de jaren tachtig en de nieuwe zakelijkheid van de jaren negentig. Het is de generatie van de jaren zestig: nieuw links die onder Paars I en Paars II tot een nieuwe generatie regenten verworden is, hemelbestormers nu twijfelend aan de maakbaarheid van de samenleving, toen voorstanders van het primaat van de politiek, nu de begunstigden van de privatisering van publieke taken. Het is de generatie die de inspraak heeft doen verzanden in procedures. Het is de generatie die de democratiseringsbeweging heeft ingekapseld in de anonimiteit van de bureaucratie. Het is de generatie die de democratisering van de universiteiten bevocht maar deze ook afschafte.

Het gaat ons nog steeds om het ideaal van radicale democratisering, niet alleen staatsrechtelijk. maar van alle geledingen van de maatschappij. Zoals Thom de Graaf: “Het gaat om de betrokkenheid van elk individueel mens bij zijn eigen leef-omgeving, bij de samenleving en bij de besluiten die zijn eigen leven beïnvloeden. Die betrokkenheid wordt bepaald door de kansen die mensen krijgen om deel te nemen, om echt samen te leven”. Het gaat om het oplossen van oude problemen: het ontwikkelen van een duurzame en dynamische economie waar kennis en talent kansen krijgen. Het gaat om het weer inhoud geven aan een samenleving op menselijke maat. Het gaat om het doorbreken van de macht van de gecoöpteerde economische elites (het polder-model). Het gaat om een economie op basis van van informatie-netwerken en niet van bulderbanen en spoorlijnen door een groen land. Het gaat om wat Els Borst ons eerder voorhield: “er is meer dan geld”. De emancipatie-beweging van de jaren zestig ging niet om het vergroten van materiële welvaat maar om immaterieel welzijn.

Wij gaan terug naar de jaren zestig, naar de jaren van oprichting van D66. Daarom is D66 juist een “fantastisch product”: een beweging van burgers tegen uitgebluste regenten. “Ongehoord” is geen afrekening met de oprichters van D66. De nieuwe generatie pikt de draad op maar wil zich niet langer wentelen in dilemma’s en paradoxen maar vertaalt de idealen van D66 in een programma en actiepunten. Het gaat er om dat de oude idealen nieuw elan krijgen, niet omdat ze mooi schijnen, maar omdat ze nog steeds actueel zijn. De nieuwe generatie heeft de kracht en de praktische kennis om de oude problemen, met vrije handen te lijf te gaan. Ongehoord is de politieke articulatie van een verloren maar pragmatische generatie. Men heeft even moeten wachten. Daar waar de zestigers konden protesteren met een zekere baan in het vooruitzicht, moesten wij ons verzekeren van een economische basis alvorens een politiek programma te kunnen opstellen. Ondertussen zijn we niet vrijblijvend geengageerd. Wij hebben onze posities in de partij al ingenomen: in besturen, commissies en fracties. De generatie-omslag binnen D66 is in volle gang. We dragen verantwoordelijkheid en willen die verantwoordelijkheid dragen.

We moeten als “Ongehoord” dan ook teruggrijpen op het politiek standaardwerk “Koning van Katoren” (Jan Terlouw, 1971). In dit boek gaat de jonge Stach vele oude maar nog steeds actuele problemen te lijf zoals geluidsoverlast, wapenwedloop, luchtvervuiling, de arrogantie van medisch specialisten... In alle gevallen zijn de oplossingen beschikbaar maar zijn de bestuurders bang het machtsevenwicht aan te tasten. Vaak zal dat evenwicht moeten worden aangetast. De politiek moet soms de confrontatie aan gaan. Toen mij als jonge consultant werd gevraagd “wat is een nieuw paradigma in ondernemerschap” was het antwoord toch uiteindelijk een nieuwe generatie managers of politici. Het is tijd dat een nieuwe generatie burgers de publieke arena betreed. Binnen deze D66 is deze generatie-omslag in volle gang, maar zowel in deze partij als in andere partijen heeft de omslag versterking nodig.

Met zorg heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur erop gewezen dat de recruteringsbasis van partijen smal is: blanke mannen, boven de veertig, werkzaam in overheid en onderwijs. Zo zijn partijen autistisch geworden: de ambtenaren controleren zichzelf. Politieke partijen hebben nu de taak van kiesvereniging en recrutering van bestuurders. Met deze taakinhoud gaan partijen aan bloedarmoede ten onder. Burgers mogen geen genoegen nemen met de beperkte taak van de politieke partijen als raden van commissarissen van de democratie. Politieke partijen moeten weer de functie van (electronisch) dorpsplein gaan spelen, de plek waar allen zaken van de gemeenschap aan de orde worden gesteld, de plek waar de samenhang tussen de dingen wordt besproken. De politiek moet ook niet in enge zin worden gedefinieerd als dat wat de overheid aangaat. Het gaat er bij politieke partijen ook om de kruis-bestuiving te bevorderen tussen mensen die in andere velden van de samenleving werkzaam zijn. Je hoeft niet in het openbaar bestuur te gaan om de publieke zaak te dienen. Ook ondernemers, onderwijzers, verplegers en machinisten zetten zich in voor een open samenleving; Juist nu heeft de democratie in een open samenleving meer dan ooit (jonge) vrienden nodig.

NRC-Handelsblad 2 december 1998, bewerkt 12.6.02

Michiel Scheffer is lid van Ongehoord en was Voorzitter van de Programmacommissie van D66