Devolutie binnen een centralistische partij-organisatie: de risico’s van een tezeer gefederaliseerde partij, en de voordelen van een intensieve locale campagne
$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$
Inhoud:
Inleiding:
p. 1 - 2
De
geschiedenis van de Britse Liberal Party op hoofdlijnen (tot 1931): p. 3 - 7
Theoretisch intermezzo over Partijvormingsprocessen en hun doorwerking qua organisatie p. 3 - 5
De
Liberals versus de National Liberals (1931-’67): dieptepunten en
heropleving p. 7 - 9
De
Liberals als ideeënpartij (vanaf 1957)
p. 9 - 12
De
organisatorische problemen; machtsvorming vanuit een decentrale partij (vanaf
’57) p. 12 -
- Het partijleiderschap van Grimond en Thorpe, 1956-1977 p. 13 – 18
- Het opzetten van een nationale partij-organisatie p. 18 - 27
-de algemene rol van de Young Liberals p. 27 – 28
-de Young Liberals en de ontwikkeling van de “Community Politics”-aanpak. p. 28 - 43
De jaren 1976-’92: Van oude Liberals naar nieuwe Libdems p. 43 – 65
-de opkomst van de SDP en de “Alliance” p. 51 – 60
- slotakkoord: het fusieproces naar de Liberal Democrats p. 60 – 65
Evaluatie: lessen uit deze
geschiedenis voor decentralisatie binnen de partij D66 p. 66 -
Inleiding
Dit stuk is een directe reactie op:
1. De organisatorische voorstellen in het pamflet “Het hoofd koel, maar de vuist op tafel” van het Landelijk Bestuur D66 van juni 2002, resp. op
2. Het commentaar daarop, getiteld “Een nieuwe wind door D66?” door de politicoloog Menno van der Land, die dit najaar een geschiedenis van D’66 (1966-2002) publiceert. Dit commentaar is door hem op 25 juni jl. op de discissie-website “Democraten.NU” van de D66-website geplaatst; ik verwijs daarnaar voor de volledige tekst van Van der Lands commentaar.
In genoemd stuk stelt het LB in Voorstel 9 letterlijk voor (de accentuering is van mij; BA):
· “Het Landelijk Secretariaat van D66 wordt omgevormd naar het Serviccentrum D66. Samen met het SWB vormt zij het Kennis- en Servicecentrum D66.
· Een nieuwe interactieve website vormt het hart van de organisatie.
· Er komt een kwaliteitshandvest tussen de fractie [bedoeld wordt waarschijnlijk: de Kamerfracties; BA] en het Servicecentrum over effectieve taakverdeling en onder andere het effectief afhandelen van brieven en e-mails.”
En bij de paragraaf “Lokaal waar het kan, centraal waar het moet” stelt Voorstel 11 letterlijk:
· “Lokale D66 afdelingen krijgen de mogelijkheid [te kiezen; BA] of zij een full-service afdeling zijn of niet. Met behulp van een contract tussen afdeling en Landelijk Bestuur wordt vastgelegd welke vorm wordt gekozen en van welke landelijke diensten gebruik wordt gemaakt.”
Uit de toelichting die aan dit voorstel voorafgaat blijkt de gedachtengang te zijn dat D66-afdelingen en locale partij-organisaties die een organisatorische en/of formele band met de landelijke “partij of beweging” (LB) D66 willen, zich niet langer willen/mogen beschouwen als “filialen” van de landelijke D66-organisatie, verpersoonlijkt door het Haagse Hoofdkantoor en LB,maar als direct uit de locale gemeenschap voortgekomen en daarin gewortelde politieke organisaties. Letterlijk schrijft men:
· “Het landelijke D66 kan een federatie zijn van lokale partijen die het D66-gedachtengoed ondubbelzinnig onderschrijven.
· De verbindingen tussen lokaal en landelijk D66 komt op twee manieren tot uitdrukking:
1. Allereerst is er de inhoudelijke verwevenheid op basis van het D66 gedachtengoed.
2. In de tweede plaats is het Servicecentrum faciliterend: lokale afdelingen kunnen gebruik maken van produkten en diensten. (….)
· “Meer zelfstandigheid betekent voor het Landelijk Bestuur “durven loslaten” en voor het lokaal bestuur “verantwoordelijkheid kunnen nemen”.
· Voordeel: meer aansluiting bij de lokale gemeenschap, minder regels, meer variëteit.
· Nadeel: minder mogelijkheid voor centrale sturing, en minder waarborgen over het verloop van procedures.
· Wij willen de eigen verantwoordelijkheid sterk bevorderen, daarom wegen voordelen zwaarder dan de nadelen”.
Tot zover het LB-stuk, dat ook nog stelt dat het aangaan van enig contract met het landelijke D66 minstens voorwaarden over de implementatie van ons Gedachtengoed in het programma van zo’n locale partij, en over het democratisch gehalte van hun interne functioneren moeten bevatten; waarschijnlijk met sanctiemogelijkheden zijdens het LB indien hiermee iets misgaat.
In zijn uitstekende commentaar op deze voorstellen schrijft Van der Land:
· “Wat nu nog lokale D66-afdelingen zijn, kunnen in de toekomst lokale partijen worden die onder een andere naam opereren, maar zich verbonden verklaren met het D-66 gedachtengoed. (…)
· Dit voorstel brengt de nodige risico’s met zich mee.
· De “full-service afdelingen” (rechten én plichten) die naast de zelfstandige afdelingen (wel rechten, minder rechten) functioneren, lopen het risico, de dupe te worden van de Alleingang van andere afdelingen. Het is namelijk de vraag, of het D66 gedachtengoed ermee gediend is, als dit wordt uitgedragen (door het hele land) door groeperingen met verschillende namen.
· En [het is de vraag;BA] of D66 als partij-organisatie niet te lijden zal hebben onder de aantrekkingskracht van D66-afdelingen die onder een andere naam verder gaan (inclusief de financiële consequenties).
· “Wat zijn nu eigenlijk de voordelen van een zelfstandige locale partij, als de regels m.b.t. de inhoud van het programma en het democratisch functioneren, voorgeschreven blijven worden vanuit de landelijke partij, [dus: de voordelen] buiten het verbreken van de associatie met een landelijk opererende partij waar het af en toe niet zo goed mee gaat?”
Inderdaad komt het voorstel van het LB grotendeels neer op het voor een deel “franchisen” van het landelijke etiket “Sociaal-Liberale Partij Democraten ‘66”; in de Britse politiek heet wat het LB voorstelt “Devolution of previously centralised powers and labels”.
In zijn op 25 juni op dezelfde website geposte reactie op Van der Lands stuk schrijft Marcel Jongmans dat ook hij grote twijfels heeft bij dit reorganisatievoorstel. Hij geeft een voorbeeld van waar hij bang voor is:
· “Deze structuur kan er zorg voor dragen dat er een versplintering ontstaat die zijn weerga niet kent.
· Terwijl [zeg:] Leefbaar D66 in Rotterdam de bouw van huizen in een natuurgebied tegenhoudt,
· maakt DA66 (Democraten Amsterdam) zich druk om de uitbreiding van het aantal woningen, ten koste van een beschermd stuk natuur.
· [Resultaat:] de kiezer zal gaan twijfelen: waar staat D66 voor? Wat wil die club eigenlijk?”
Inderdaad gaat deze decentralisatie, dit franchisen vele malen verder dan wat tot nu toe de praktijk was: het Landelijk Secretariaat of de Bestuurdersvereniging schrijft een “Raamwerk voor een gemeentelijk D66 programma” als handleiding hoe het D66 gedachtengoed op locaal niveau kan worden uitgewerkt. Zelfs al lang bestaande afdelingen, die al jaren hun eigen program schrijven op basis van het program uit de voorafgaande Raadstermijn, moeten erkennen dat bij het begin en/of de wederopstanding van hun afdeling in de jaren’70 en ’80 ze naast landelijke programma’s als het Verkiezingsprogramma en het 1985 helaas gediscontinueerde Beleidsprogramma, bij dat begin dankbaar van zo'n PSVI-raamwerk gebruik gemaakt hebben.
Jongmans zinspeelt hier ook op waar hij schrijft: “Liever zou ik een structuur zien waarin alle beleid centraal gecoördineerd wordt. Waarbij de top de lijnen uitzet, het raamwerk bepaalt, waarbinnen afdelingen vrijelijk en naar eigen inzicht kunnen opereren.”
Jongmans
vergeet erop te wijzen dat als een full-service of met D66 geaffilieerde
afdeling een beleid uitdraagt (en als gekozen burgemeester en/of als wethouder
uitvoert) dat volstrekt in strijd is met het heiligste van onze partij: “DE
GEEST VAN HET D66 GEDACHTENGOED”, de Landelijke D66-organisatie wel met
veel publicitair misbaar wegens contractbreuk alle banden met zo’n afdeling kan
verbreken, maar ondertussen heeft de gang van zaken het beeld bij de kiezers
van dat heterogene D66 verder vertroebeld.
Uit de Britse politieke geschiedenis is een voorbeeld bekend van een op basis van locale autonomie georganiseerde, volstrekt gefederaliseerde partij waar men hoogstens een op bepaalde diensten betrekking hebbend contact (of contract) met de landelijke partij-organisatie had: De Liberal Party, wegens haar 100% individualisme en 100% decentralisatie beter bekend als THE LIBERALS. Laten we eens, op basis van de historische en politicologische literatuur, nagaan hoe het haar verging, en welke lessen en waarschuwingen we daaruit kunnen trekken.
Literatuuropgave bij onderstaand overzicht:
·
Chris Cook, “A Short History of the Liberal
Party, 1900-1976”, Macmillan, London, 1976;
·
Rob Hague & Martin Harrop, “Comparative
Government / An Introduction”, Macmillan,
·
R. Hague, M. Harrop & Shaun Breslin,
“Comparative Government & Politics / An Introduction”, Palgrave (=Macmillan
& St. Martin’s Press), Hounsmills/
·
Ruud Koole, “De opkomst van de moderne kaderpartij / Veranderende
partij-organisatie in Nederland, 1960-1990” (zijn dissertatie, BA); Aula/Het
Spectrum, Utrecht, 1992;
·
Jeremy Thorpe, “In my own time / Reminiscenses
of a Liberal leader”, Politico’s, London, 1999;
·
Arthur Cyr, “Liberal Party Politics in
·
(resp. artikelen in: ) Don MacIver (ed.), The Liberal Democrats; Prentice Hall/Harvester
Wheatsheaf, London, etc., 1996.
·
Annette Penhaligon, “Penhaligon”, Bloomsbury,
London, 1990.
De geschiedenis van de Britse Liberal Party ophoofdlijnen
De Britse Liberal Party ontstond vanuit een stroming onder de leden van het Britse House of Commons en House of Lords die zich in elkaars beginselen (Vrijhandel! Kiesrecht-uitbreiding! Sociale wetgeving tegen bv. Kinderarbeid!) en elkaars manier van denken en handelen herkenden; velen kwamen uit de Whig-stroming uit 17de en 18de eeuws Engeland. De diverse Reform Acts (vanaf 1832) waarbij het Britse kiesrecht hervormd, gezuiverd en uitgebreid werd, het afschaffen van de protectionistische Corn Laws, en het doorvoeren van de Factory Acts waarbij zaken als geen kinderarbeid en goede arbeidsomstandigheden geregeld werden, waren allen het product van deze “liberale” stroming die de National Liberal Club oprichtten als ontmoetingsplaats en pied-à-terre in Londen (de Tories richtten daartoe de Carlton Club op); de leden bundelden zich in een netwerk dat ze de “Liberal Party” gingen noemen (de partijnaam “Liberaal” was uitgevonden door anticlericale en Radicale, naar kiesrechthervorming strevende bewegingen in Spanje en Frankrijk in de periode 1813-1848). In principe was de LP een netwerk dat voornamelijk de zich Liberaal noemende MP’s (Members of Parliament, waar ik voor de gelegenheid ook de levenslang zittende Lords bij denk) en de locale kiesverenigingen die hen gekandideerd en gesteund hadden, omvatte. Kenmerkend voor het gebrek aan formele, institutionele banden van de LP is dat er geen duidelijkheid over betstaat wanneer de Liberal Party precies ontstond: in 1859 was er in de Commons de gelegenheidscoalitie van “Radicals, Whigs, Peelites and Liberals” die de Tory-regering van Disraeli & Lord Derby wipte. Maar de daarop volgende regering-Palmerston werd door de Whig-stroming gedomineerd; een betere begindatum is de verkiezingsoverwinning van mensen uit deze vier stromingen in 1868, nadat bij de Second Reform Act het kiesrecht was uitgebreid[1].
Theoretisch intermezzo over Partijvormingsprocessen en hoe die zich organisatorisch weerspiegelen
Ter vergelijking: in de jaren 1840-1862 ontstond in de Nederlandse politiek de stroming der Liberalen, maar deze hebben zich mede omdat de maatschappelijke en politieke ontwikkeling van Nederland decennia bij Engeland achterliep, nooit in een partij of federatie verenigd; hun enige verzamelpunt was de rond 1848 in Amsterdam bestaande “Liberale Sociëteit” waarvan bv. Thorbecke een Leids “buitenlid” was. Zie J.C. Boogmans handboek “Rondom 1848” en Harm van Riels boek over de 19de eeuwse Nederlandse Liberalen. Pas met de rond 1890 opgerichte Liberale Unie, de daaruit afgesplitste Radicale Bond, en de uit deze organisaties voortgekomen Vrijzinnig Democratische Bond, resp. Vrijheidsbond/Liberale Staatspartij hebben de meeste liberale kiesverenigingen zich gebundeld in iets wat op landelijke partij-organisaties leek, maar dat was omdat in de ARP, de SDAP en de RKSP de Gereformeerden, de Socialisten en de Katholieken zich organiseerden in nationale massapartijen die het 19de eeuwse politieke overwicht van de Liberalen aantastten en weegnamen. Zie hierover: P.J. Oud, “Honderd Jaren/ Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland, 1840-1940”, Van Gorcum, Assen, 1971, passim onder die partijnamen in de index.
Koole wijst erop dat de Franse politicoloog Maurice Duverger, wiens handboek “Les Partis politiques” (Paris, 1951, resp. Britse vertaling: Londen 1964) de basis is geworden van veel theorievorming over het ontstaan en functioneren van politieke partijen, een dubbel onderscheid maakte tussen de vanaf begin 19de eeuw (met van elitair naar nationaal uibreidend kiesrecht) opgerichte kiesvereniging-partijen, en de vanaf rond 1900 opgerichte, centralistische massapartijen. Duverger onderscheidde ten eerste:
· De “intern geschapen” partijen, dat wil zeggen de partijen die voortkwamen uit vrijwillige samenwerkings- en organisatieverbanden tussen ieder zelfstandig gekozen parlementsleden resp. volksvertegenwoordigers; het eerste voorbeeld hiervan zijn tijdens de Franse Revolutie de “montagnards/ Jacobins” en hun tegenhangers de Girondijnen rond 1789-‘96; de Britse Tories en Liberals die vanaf zeg 1840 ontstaan zijn zijn tweede voorbeeld.
· De “extern geschapen” partijen, dat wil zeggen de buiten het parlement, door maatschappelijke en/of ideologische groepen opgerichte partij-organisaties die het streven hadden, politieke macht te krijgen door hun kandidaten in vertegenwoordigende organen gekozen te krijgen.
Volgens Duverger bepaalt deze ontstaansgeschiedenis de machtsverhoudingen binnen beide typen partijen.
Bij de “intern geschapen” partijen domineren de fractie en de parlementsleden die het initiatief namen het geheel; ieder parlementslid ontleent zijn positie aan de steun van een locale, alleen bij verkiezingen gemobiliseerde Kiesvereniging, en de partijband tussen de (leden van) die kiesverenigingen in verschillende districten loopt primair via hun parlementsleden. Dit type partij kent amper een permanent kader, en heeft dus ook lage “bedrijfskosten”; men hoeft om dit te bekostigen geen massale, zelfs geen permanente fondsenwerving te bedrijven. Deze partijen zijn vooral opgericht om de zittende parlementsleden hun zetel, en dus hun positie van macht en invloed, te helpen behouden.
Bij de “extern geschapen” partijen lag het initiatief bij de groep die zich tot Partij verenigd heeft, en deze groep controleert dan ook vanaf het eerste begin, wie namens de partij volksvertegenwoordiger kan worden (en blijven). Het zelfbeschikkingsrecht, wat bij de intern geschapen partij intact blijft, wordt hier dus ingeperkt.
Het tweede, hiermee overlappende onderscheid dat Duverger maakt is gebaseerd op de ontwikkelingsstadia die de westerse landen op politiek-institutioneel (uitbreiding kiesrecht, verbreding overheidsrol), resp. economisch (is hier de Industriële Revolutie al uitgebroken?), resp. demografisch (is er urbanisatie, trek naar de steden, en groei van grote drukbevolkte volkswijken in industrie- en/of havensteden?) gebied doormaken in de periode 1815-1940.
·
Eerst kreeg je de intern gestichte
“kaderpartij”, in het
Engels/Amerikaans ook wel als “caucus
party” omschreven. Deze ontstaat in de vroeg-19de eeuwse fase
waarin het kiesrecht voor de (de niet-adelijke delen van de bevolking vertegenwoordigende)
Kamer(s) van het nationale parlement beperkt is tot de hoogste inkomensgroepen
uit de burgerij: de notabelen, vrije beroepen en de hoog geschoolden als bv.
artsen en dominees. Deze notabelen organiseren zich in locale Kiesverenigingen
die alleen in de aanloop tot nationale parlementsverkiezingen actief worden, of
als door de dood van het parlementslid van dat Kiesdistrict (we hebben in deze
tijd overal nog een éénzetelig kiesdistrictenstelsel) tussentijds een nieuwe
man verkozen moet worden. Het feit dat de kiesverenigingen alleen in de periode
direct voor de verkiezingen actief worden, en dat ze dus alleen dan “hun”
parlementslid ter verantwoording kunnen roepen, maakt dat er amper sprake is
van een continue verantwoordingsplicht tegenover de Kiesvereniging. Nee, het
parlementslid is met steun van de
kiesvereniging (die locale campagne-meetings voor hem organiseert en
advertenties voor hem in de locale kranten zet) gekozen, maar wordt geacht de belangen van zijn hele
kiesdistrict en alle daar wonende individuele kiezers te dienen. De sterkste band bouwt het
parlementslid dus op met die kiezers,
voor wie hij als wegwijzer, ombudsman of woordvoerder, iets bij de rijksoverheid heeft kunnen regelen. Men is zelfs geen
trouw verschuldigd aan één kiesvereniging: bij Oud vindt je voorbeelden hoe bv.
Thorbecke of een ander zittend lid bij de volgende verkiezingen namens een
andere kiesvereniging in een ander district, of zelfs in meerdere (twee)
districten gekozen is; hierbij ging het dat Kamerlid duidelijk om zetelbehoud,
en profiteerde hij van de wens van een andere kiesvereniging elders om ook eens
vertegenwoordigd te worden.
·
Vanaf de oprichting van de Duitse SPD onder Bebel rond 1870 kreeg je de
“massapartij”, meestal opgericht door een tot dan toe
niet in het parlement vertegenwoordigde ideologische en/of sociaaleconomische
groep in de bevolking. De Socialisten zijn de bekendste voorbeelden van de
geheel van “buitenaf “ opkomende partijen; bij de confessionele partijen hadden
de Katholieken resp. Gereformeerden meestal al enige geloofsgenoten uit adel,
gentry en/of bourgeoisie die reeds in het parlement zaten, en die inspiratoren
en/of spilfiguren waren bij de oprichting van een massapartij. In Nederland was
Domela Nieuwenhuis, de eerste socialist, geen Kamerlid vóór hij de SDB
oprichtte; maar de Katholieken hadden “papoliberalen” als Storm, één van de
Negenmannen die 1844 met Thorbecke een nieuwe Grondwet voorstelden; en bij de
Gereformeerden was de adelijke Groen van Prinsterer de inspirator en ideoloog
die zo’n 40 jaar in de Kamer zat tot dominee Kuyper (met een geformaliseerde
ideologie en een Verkiezingsprogram) van buitenaf de ARP oprichtte. De
Massapartij is kenmerkend voor de historische fase waarin het kiesrecht tot brede lagen van de bevolking is uitgebreid; het
Openbaar Onderwijs ook een effectief Volksonderwijs omvat; en waarin de
gedrukte media (kranten, pamfletten, boeken) mede door die betere en bredere
scholing brede lagen van de bevolking bereikt; doordat zij nu het kiesrecht
hebben, resp. de verwachting koesteren, dat binnenkort te krijgen, gaan ze deze
drukwerken ook lezen. De historicus Geoffrey Barraclough heeft in diverse
publicaties gewezen op de organieke samenhang tussen het ontstaan van een
nationaal gestructureerde, industriële, verstedelijkende en van steeds beter
onderwijs en betere verbindingen (spoorwegen, wegen, telegraaf, telefoon)
genietende samenleving, en het ontstaan van deze Massapartijen. Zo werd de
Labour Party opgericht uit een samenwerkingsverband tussen een aantal kleine,
ideologische en intellectuele groepjes als de Fabians (die de functie van
“Wetenschappelijk Bureau” op zich namen), de zgn. “Socialist Societies”,
enerzijds, en de “commissie voor politieke representatie” van de nationale
vakcentrale TUC anderzijds. De TUC zou tot ver in de jaren’80 het grootste deel
van de partijfinanciën en het staande partijkader leveren, maar de Fabians en
de andere socialistische groepjes mochten hun ideologische dogma’s in de
Statuten neerleggen, bv. de beruchte Clausule 4: Labour streeft naar naasting
van de hoofdbronnen van economische productie en welvaart.
·
Het zich tot brede lagen van de bevolking uitbreiden van het kiesrecht,
de wens hun gevestigde macht te behouden, en de (ook sterk buitenparlementaire)
opkomst van de Massapartijen (die zich in bv. de
Benelux, Duitsland en Engeland soms in maatschappelijke “zuilen” omvormden om
de maatschappelijke inbedding te consolideren) dwong bestaande, elitaire Kaderpartijen vaak, zich in de richting van
Massapartijen om te vormen en ook een krachtiger nationale verenigingsstructuur
op te bouwen[2].
Speciaal in landen waar het Algemeen Kiesrecht werd ingevoerd, en men op een
nationaal-proprtioneel kiesstelsel overging, was die noodzaak evident en in de
meeste gevallen doorslaggevend.
Maar, en dit is bij het begrijpen van de geschiedenis en cultuur van de Liberal Party van essentiëel belang, in landen waar het districtenstelsel ook bij algemeen kiesrecht gehandhaafd bleef, had de locale afdeling een veel sterkere (legitimiteits-)positie tegenover de landelijke partij-organisatie en het hoofdbestuur, en was de band tussen feitelijk als permanent geworden Kiesverenigingen door-functionerende partij-afdelingen en “hun” parlementslid veel sterker dan in partijen waar onder regie van het Hoofdbestuur en de fractietop een lijst van kandidaten (voor “nationwide” gehouden proportionele verkiezingen) werd opgesteld. Bij de Britse Tories kwam er inderdaad een Central Office met enige institutionele macht en een nationale partij-organisatie met eigen bevoegdheden; maar bij de Liberals wisten de locale afdelingen, wijzend op het leidende beginsel van Zelfbeschikkingsrecht en Eigen Verantwoordelijkheid, 99% van hun autonomie uit het kiesverenigingen-tijdperk te behouden. Naast de Britse Liberals bleven bv. de (liberale) Racicale Partijen in de Franse Derde en Vierde Republiek (1871-1958), en de Gaullistische RPR van Pompidou tot en met Giscard (1970-heden) vnl. op locaal districtsniveau georganiseerde partijen.[3]
Koole haalt ook de kritiek van de Russische liberale bestudeerder van het verschijnsel politieke partijen, Moisei Ostrogorsky (1854-1919), aan. Deze bestudeerde rond 1900 de vnl. rond kiesdistricten georganiseerde Britse en de (tot op de huidige dag) sterker op “state level” dan op federaal niveau georganiseerde Amerikaanse partijen, en merkte op dat ze door deze organisatie vanouds sterk op de belangen en wensen in hun resp. kiesdistricten waren geöriënteerd. Maar aan de invloed van de kleine groep der Fabians op de mentaliteit van de Britse Labour Party, en aan de invloed die krachtige figuren op toonaangevende posities (als Amerikaanse presidenten, bv. de macho Teddy Roosevelt, 1901-1909) op het politieke denken konden hebben, zag Ostrogorsky ook dat een krachtige nationale partij-organisatie kon gaan bepalen, welke wensen en belangen van kiezers, door vanuit de partij gekandideerde en ondersteunde parlementsleden als politiek gepast, aanvaardbaar, kortom “politiek correct” (mijn term) mochten worden beoordeeld, en welke wensen en belangen geen gehoor bij “hun” politici mochten krijgen. Dit tastte de (in haar alomvattendheid, openmindedness berustende) zuiverheid van de het hele volk vertegenwoordigende functie van parlementsleden en politici aan, en dus pleitte Ostrogorsky (tegen beter weten in) voor een wettelijk, institutioneel verbod op permanente, landelijke partij-organisaties. Ostrogorsky onderkende dat in de steeds grootschaliger georganiseerde samenlevingen, waarin de overheidsmacht door uitbreiding van het kiesrecht steeds meer democratisch gefundeerd en gelegitimeerd was, de politieke partijen “focus the political feelings and the active wills of the citizens”; maar de hoofdbesturen en via hen opererende partij-ideologen mochten niet als de geluiden uit het electoraat filterende stoorzenders gaan optreden in het politiek verkeer.[4] Koole haalt ook de bij socioloog Max Weber opgeleide Robert Michiels aan, die aantoonde hoe juist door de nationale, grootschalige en veel aspecten (verenigingsleven, kaderopleiding, ideologische en organisatorische discipline) omvattende opzet van massapartijen als de Duitse SPD er burokratische besluitvormingsprocessen en oligarchische machtsvormingsprocessen konden ontstaan, die eveneens een verbasterende, verbuigende invloed konden hebben op het door de partijpolitici representeren van de belangen, gevoelens en wensen van de kiezers.[5]
Einde intermezzo.
De Britse Liberals waren vanaf het begin een los verband van liberale kiesverenigingen, ieder met hun eigen toelatingscriteria voor lidmaatschap, en met hun eigen ideologische en/of programmatische oriëntatie. Ze hadden ook ieder een geheel eigen traditie, cultuur van de mate waarin ze hun MP aan een principe of standpunt bonden, resp. waarin ze de door bv. Edmund Burke benadrukte vrijheid van denken en handelen van het individuele parlementslid respecteerden. In de tweede helft van de 19de eeuw organiseerden de Liberale locale organisaties zich wel sterk rond het opzetten en leiden van het Openbaar Onderwijs in hun gemeentes (vooral in de grote industriesteden: de Liberals uit Birmingham waren hierin de trendsetters; zij stichtten 1869 de National Education League[6]). Deze taak gaf de Liberale districtsafdelingen dan ook een sterk gevoel van autonomie, en een afkeer van enig hen overkoepelend, laat staan van een hen inperkend hoger partijgezag.
Waar de Tory-fractie in de Commons dus onder groeiende invloed van Conservative Central Office kwamen te staan (dat ook een steeds groter deel van het fundraisen van de locale afdelingen overnam), en waar de vanaf 1900 in de Commons gekozen Labour MP’s dus vanaf het begin onder de financiële, facilitaire en ideologische voogdij van het Hoofdbestuur (National Executive Committee) en uiteindelijk het nationale Partijcongres stonden, bleven de Liberal MP’s individualisten met ieder een geheel eigensoortige band en relatie met hun afdeling. Toen onder de religieus-geëngageerde Gladstone en onder de linksige Lloyd George de Radicale en Sociaal-Liberale stroming een steeds prominentere plaats in de uitstraling van de Liberals, konden meerdere MP’s en kiesverenigingen zich hier ongestraft aan onttrekken; zelfs als “partijleider” hadden Gladstone en Llloyd George geen sanctiemacht tegenover “hun” MP’s, en de nationale partijcongressen droegen bewust de informaliteit suggererende naam “assembly” (samenkomst), en konden via resoluties hoogstens adviserend opereren tegenover de gewone MP’s en de MP die partijleider was. Bij iedere verkiezingscampagne schreef de partijleider mede aan de hand van assembly-resoluties en zijn persoonlijke voorkeuren een “party platform”, maar dit program was niet automatisch bindend voor de Liberale kandidaten of de gekozen MP’s.
De groeiende prominentie van de Radicalen en Socialen onder de Liberals leidden tot enige groepsgewijze deserties naar de Tory-fracties; de Liberals waren de eerste Britse partij die een mijnwerker tot MP lieten kiezen. In 1905 kwamen de Liberals onder Asquith na 20 jaar weer aan de regeringsmacht, en in 1909 forceerden ze door de indiening van het “People’s Budget” ( met aanzetten tot sociale wetgeving) door “Chancellor of the Exchequer” Lloyd George een confrontatie die leidden tot de afschaffing van de veto-macht van het House of Lords. In 1909-’14 kwam er een begin van overheidsbemiddeling bij arbeidsconflicten en andere sociaal-liberale maatregelen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd door toevoeging van (veel) Tory- en (enige) Labour-politici een “National Government” gevormd, met de afspraak dat men voor de duur van de oorlog alle partijen hun resp. kiesdistricten zou laten behouden; algemene verkiezingen werden uitgesteld tot het weer vrede was. Een vleugel van de Liberals (waaronder de jonge Bertrand Russell) en een radicale tak van Labour distanciëerden zich van de Regeringscoalitie en bleef pacifistisch campagnevoeren.
In 1916 greep Lloyd George, profiterend van de noodzaak de overheidsrol in de nationale oorlogsinspanning te stroomlijnen en te intensiveren, binnen de regering de macht; Asquith en zijn partijvleugel traden uit de regering maar bleven die gedoogsteun geven. In december 1918, pal na de wapenstilstand, schrref premier Lloyd George algemene verkiezingen uit, waarbij zijn partijvleugel een samenwerkingsverband met de Tories voortzette (Labour koos er direct voor, weer zelfstandig te opereren). Je kreeg dus de zelfstandige, oppositionele Asquith-Liberalen die tegenover de Lloyd George-Liberalen campagnevoerden; de uitslag was dat beide vleugels zetels verloren, vooral die rond Asquith; Labour kon hiervan profiteren door grote winst te maken. In de periode 1918-’22 bleven de Liberals intern verdeeld. In 1922 kwamen de Tory-achterban en –backbenchers in opstand tegen de nog steeds door Lloyd George geleide regering; ze wezen erop dat deze in de Commons op honderden Tories en enige tientallen Liberals steunde, en ze wilden een puur-Conservative regeringsbeleid. Dit leidde tot de val van Lloyd George en politieke instabiliteit; bij de verkiezingen in 1922, ’23 en ’24 werden de Liberals (die zich herenigden) volledig weggevaagd, gedecimeerd; vanaf zeker 1923 werd de Britse politiek gedomineerd door Labour en de Tories. In 1929 kwam een Labour-minderheidsregering onder Ramsay MacDonald aan de macht, min of meer met Liberal-gedoogsteun. [7]
De regering-MacDonald werd geconfronteerd met de steeds sterkere, desastreuze doorwerking van de wereldwijde Depressie, en vanuit wat later de “klassieke economie” (=pre-Keynes economie) ging heten kwam men met harde bezuinigingen als hoofd-remedie. Dat stuitte op groeiend verzet vanuit de vakcentrale TUC, en binnen de Liberals had de voormalige topambtenaar J.M. Keynes al vanaf 1926 het alternatief van “deficit spending” en werkgelegenheid-door-openbare-werken, en zelfs economische regeringsplanning bepleit, wat ook in het “platform” van 1929 gestaan had (maar ook dit platform was geenszins bindend voor de Liberal-politici). Liberale pogingen in de jaren’20 om een nationale fundraising bij leden en sympathisanten op te zetten waren in de kiem gebroken door (het gevoel en de houding van) autonomie bij de afdelingen.[8]
In 1931 besloot MacDonald tot een radicale stap: hij nodigde de Tories en Liberals uit om, gezien de noodsituatie, tot een “Nationale Regering” toe te treden die wel voldoende draagvlak zou hebben om de nodig geachte hardhandige maatregelen te nemen. Dit leidde onmiddellijk tot een splitsing bij Labour: de meerderheid van de Labourfractie zegde het vertrouwen in de regering op en gooide MacDonald en zijn ministers uit de fractie; het Bestuur en Partijcongres schorste hen als partijleden. MacDonald c.s. richtten een eigen “National Labour Party” op, die het natuurlijk zonder de financiële en kadersteun van de TUC moest stellen, en die tegen de massalere Labour Party op moest boksen. De Tories, dolblij weer in de regering te komen, bleven volstrekt eensgezind en overvleugelden weldra Macdonald en zijn “National Labourites” die weldra naar de achtergrond verdwenen.
De Liberals versus de National Liberals (1931-1967):
dieptepunten en heropleving
Bij de Liberals zorgde het individualisme en het ontbreken van fractie- en partij-discipline voor een driedeling:
1. Een deel van de Liberals trad inderdaad toe tot de Nationale regering;
2. Een deel van de MP’s bleef kritisch aan de kant staan, maar wilde wel gedoogsteun geven; en
3. Een derde deel onder Lloyd George weigerde iedere steun en bleef oppositie voeren.
De MP’s die gedoogsteun gaven haakten binnen een jaar af en voegden zich bij Lloyd George omdat de Nationale Regering een nog harder protectionistisch beleid voerde dan eerdere regeringen (vrijhandel is altijd een basispunt voor de Liberals geweest); hierdoor stond de kleine minderheid die in de regering bleef, resp. die hen bleef steunen, tegenover een iets grotere groep MP’s en kiesverenigingen die oppositie voerden. De regeringsgezinde Liberals organiseerden zich in de zgn. “National Liberal Party” die een langlopend samenwerkingsverband met de Conservatives aan ging; zo sprak men af dat in een handvol districten een NatLib-kandidaat in plaats van een Tory-kandidaat gesteld zou worden (zodat hij door de Tory-afdeling gesteund werd).
De splitising in Lloyd George- en Asquith-Liberalen (1916-’26) was nog persoonsgebonden en tijdelijk, maar die in Liberals en NatLibs bleek structureel en blijvend. En dit had in ieder kiesdistrict een andere uitwerking: sommige Liberals-afdelingen liepen en bloc of grotendeels naar de NatLibs over; elders kwam een door de Tories gesteunde Natlib-afdeling tegen de ernstig verzwakte (locale) Liberal Asociation te staan. Waar de Natlibs in de praktijk voor 100% het Tory-partijproghram steunden en onderschreven, bleef de ideologische en programmatische zelfstandigheid van de Liberal MP’s en hun kiesverenigingen (associations) volledig bestaan. Waar de tories en de zich van hun splitsing in 1931 herstellende Labour Party honderden MP’s hadden, en steeds meer gemeentebesturen domineerden (tot dan toe waren de meeste raadsleden “onafhankelijken” waaronder veel feitelijke Liberals), hadden de Liberals vanaf 1931 nog minder MP’s dan voorheen en vielen ze terug naar een handvol in de Commons met haar 600 zetels.
In mei 1940 formeerde Churchill weer een kamerbrede Nationale Regering waarin ook de Liberals een marginale rol speelden. Belangrijker was dat in de jaren 1936-’45 Labour vanuit de socialistische mode tot regeringsdeelname en economische planning (denk aan het Plan van de Arbeids van de SDAP en het Volksfront van Leon Blum in Frankrijk) de economische voorstellen van de liberaal Keynes overnamen in hun program. Ook het in opdracht van de oorlogsregering geschreven rapport van de Liberale oxford-professor Beveridge over een naoorlogs stelsel van sociale verzekering en volksgezondheid werd en bloc door Labour overgenomen; socialistische plannen om de huisartsen in staatsdienst te nemen werden hiervoor opgeofferd; ze mochten zelfstandige actoren blijven. Een poging van de NatLibs om zich met de Liberals te herenigen liep stuk op de NatLib-eis, de coalitie met de Tories ook na de oorlog voort te zetten.[9]
De Liberalen hadden 1929 voor het laatst op grote schaal campagne gevoerd, met kandidaten in honderden districten; maar hun resultaten waren erg teleurstellend. De verdeeldheid in 1931 en de definitieve splitsing vanaf 1931 tastte de partij-organisatie en haar vermogens steeds verder aan. Symbolisch was dat een dochter en zoon van Lloyd George naar Labour, resp. de NatLib-Tories over zouden lopen. De dochter van Asquith bleef de Liberals echter trouw, en vergeleek in 1959 de relatie Tories-NatLibs effectief met het tweepersoons-toneelpaard dat je rond kerst in de typisch-Britse “pantomimes” ziet optreden: “de man die de voorkant speelt, ziet en bepaalt waar het paard heen loopt en wat er gebeurt, en heeft een leuke voorstelling; de man die de achterpoten speelt ziet niets, maar moet bukken en meelopen, wat er ook gebeurt”. De voorpoten waren natuurlijk de Tories, en de achterpoten de NatLibs.[10]
De Liberals hadden, steunend op het prestige van Keynes en Beveridge, in 1945 geprobeerd een comeback te maken, maar zoals we zagen had Labour, dat door haar omvang en kracht een geloofwaardiger uitgangspositie had, de belangrijkste Liberal selling points overgenomen. Labour vaagde onder reformist (=niet-revolutionaire, pragmatische hervormer) Attlee de Tories spectaculair weg, en smoorde de poging-tot-comeback van de Liberals in de kiem. Bij de gemeentelijke verkiezingen van 1946 verloren de Liberals verder zetels; ze waren bijna volledig uitgeroeid. Maar het Labour-beleid kon de nationale economische uitputting niet oplossen, en leidde op korte termijn niet tot de gehoopte welvaart; en aanmatigend regentengedrag en dogmatisme zette kwaad bloed bij veel progressieve intellectuelen. Labour verloor 1950 een groot deel van haar meerderheid, en kwam 1951 definitief ten val. Wat volgde was 13 jaar Tory-regeringen onder vier premiers, met in plaats van de gehoopte successen stagnatie en zelfs internationale vernederingen als de Suez crisis. Engeland hechttte zó aan de economische contacten met haar ex-koloniën in de Commonwealth, en aan haar Angelsaxische “Special Relationship” met de VS dat men buiten de EGKS, de EEG en Euratom bleef; men probeerde via de EVA een alternatief voor de EEG te formeren. De Tories wilden niets van Europese integratie weten, en ook een meerderheid van Labour keek er wantrouwend tegenaan. Alleen de Liberals waren vanuit hun Vrijhandelstraditie vanaf het begin vóór Europese integratie, en pleitten rond het (EEG-)Verdrag van Rome voor het direct meepraten en mee-ondertekenen. Maar dit was voor dovemansoren. Begin jaren’60 probeerde de regering Macmillan alsnog tot de EEG toe te treden, maar dit werd door een veto van De Gaulle afgekapt; en toen Labour in 1964 onder Wilson weer aan de macht kwam liet men het maar zo; De Gaulle was een nuttige zondebok voor deze passiviteit. Pas na de dood van De Gaulle (1969) en het aan de macht komen van de pragmaticus Edward Heath (een open-minded Tory; de laatste van dat type Tory-premiers) zou Engeland weer een toetredingsverzoek doen en in 1973 effectief toetreden.[11]
De Liberals beleefden 1945-’54 hun organisatorische, bestuurlijke en politieke dieptepunt; maar er begon zich uit onvrede met het fantasieloze Tory-regeringsbeleid en het binnen Labour oplaaien van links (vooral: economisch) dogmatisme en klassenstrijd-reflexen een onderstroom van kiezers en intellectuelen te ontwikkelen die zich met de Liberals gingen associëren. Bekende TV-persoonlijkheden als de ITV-presentatoren Robin Day (later als Sir Robin Day een gevreesd politiek BBC-interviewer) en Ludovic Kennedy waren eind jaren ’50 met relatief succes (opvallend goede kiezersscores, maar geen overwinningen) Liberal-kandidaat voor Commons-zetels. Ook bij de gemeentelijke verkiezingen begonnen de Liberals zetels (terug) te winnen, en onder de energieke leider Jo Grimond begonnen de Liberal-politici steeds vaker Grimonds advies te gehoorzamen: “stand up for your principles and walk toward the sound of gunfire”. De doorbraak werd gesymboliseerd door enige overwinningen in by-elections: Torrington in 1958 en vooral de Londense forensen-voorstad Orpington in 1962.
Maar de Liberals hadden bij hun geleidelijke comeback vanaf 1954 te maken met twee structurele problemen, die allebei
met hun erg losse, over-gedecentraliseerde organisatie samenhingen:
1.
De strijd tegen de NatLibs die tot rond 1967
een partij-organisatie behielden, maar steeds meer een mantel-organisatie van
de Tories werden; dit betekende dat de straatarme Liberals tegen de strijdkas
van de Tories en de vele met de Tories sympathiserende kranten moesten
opboksen.
2.
De gehechtheid aan hun autonomie van speciaal de districtsafdelingen
van de Liberals, die het uitzetten van een nationale campagnestrategie en het
voeren van een eenduidig nationaal program grotendeels onmogelijk maakten. Zo was het mogelijk dat locale
Liberal partijkaders feitelijk Tory- of Labour-posities konden innemen, zonder
dat er vanuit de nationale partij enige sanctie tegenover stond.
Wat dit laatste betreft: Thorpe vergelijkt de Liberal-campagne van 1950, toen men in 475 districten kandidaten in het veld bracht (in een tweede poging tot comeback, inspelend op de desillusie over de Labour-regering) met de legendarische charge of the Light Brigade: een heroïsche idiotie, waarbij verreweg de meeste deelnemers werden afgeslacht (319 Lib-kandidaten haalden minder dan 5% van de kiezers, en “lost their deposit”, het geld dat ze als onderpand hadden moeten storten in de gemeentekas); “the organisation simply was not there” zegt Thorpe. Gelukkig had men zich tegen verlies van deposits verzekerd bij Lloyds, of de financiële aderlating was compleet geweest. In 1951 wist men 109 kandidaten te stellen, maar het resultaat was dat de Commonsfractie van 9 naar 6 zetels slonk. In 1959 maakten de Tories op grote schaal gebruik van labels als “National Liberal” of “dit is een Liberal&Tory kandidaat”; dit leidde tot verwarring bij veel kiezers. In twee stadjes met steeds twee kiesdistricten waren er locale anti-Labour-deals met de Tories: in het ene district zouden de Libs geen kandidaat tegenover de Tory stellen, als de Tories hen in het tweede district vrij baan gaven. Twee van de zes in 1959 gekozen Liberals kwamen uit deze stadjes, en de deals die hen van Labour hielp winnen konden ieder moment door de Tories worden opgezegd. Torrington, wat men 1958 met moeite gewonnen had, ging weer verloren.
De by-election victory in Orpington en enige soortgelijke successen elders en bij gemeentelijke verkiezingen leidden tot een opleving in 1962-’63, maar toen de nationale verkiezingen weer naderden (en Labour afstapte van radicaal atoompacifisme, en de Tories een charisma-loos leider kozen) keerden de kiezers op grote schaal weer naar de beide grote partijen terug. Maar voor het eerst sinds 1950 brachten de Liberals in meer dan de helft van de kiesdistricten een kandidaat in het veld; hun motto was: “a federal Britain in a federal Europe” (een bestuurlijk gedecentraliseerde, geregionaliseerde Britse staat in een steeds meer samengaande Europese Gemeenschap”; dit zouden tot en met de huidige dag unique selling points van de Liberals/LibDems blijven waar boch Tories, noch Labour ten volle aan wilden). Met de energieke, charismatische Grimond hadden ze de meest televisie-genieke lijsttrekker. Hun stemmen-aantal ging van 1,6 naar 3 miljoen, maar in zetels gingen ze van 6 naar 9; de eis van kiesrecht-hervorming zou voortaan in het Liberal-program gebeiteld zijn. In 1965 gingen de Liberals bijna failliet aan een enorme schuld bij de bank, en als penningmeester (1965-’67) en in zijn beginjaren als partijleider (vanaf 1967) moest Thorpe alle hens aan dek halen (voor zover dat bij een door individualisme en gezagloos bestuur gedomineerde partij mogelijk was) om deze schuld in te lossen en de partijfinanciën weer gezond te maken. In 1966 haalden de Liberals 2,3 miljoen stemmen en 12 zetels; hun rol bleef marginaal. Wilson, 1964 met een minieme meerderheid gekozen, had steeds een akkoord met de Liberals geweigerd, hoewel Grimond zich daartoe bereid verklaarde. In 1966 waren de Liberals in minder districten de tweede partij dan in 1966; ze had ook minder kandidaten op kunnen stellen dan in 1964; en ze waren de energie van 1962-’64 kwijtgeraakt..[12]
De Liberals als ideeënpartij (vanaf 1957)
Onder Grimond (1957-’67) werden de Liberals, die eerst door het maatschappijhervormende Labour-program van 1945, en daarna door het pragmatisch-moderne Tory-beleid vanaf 1951, van hun ideologische en programmatische “selling points” beroofd waren, door de input van nieuwe denkers op meerdere beleidsterreinen in korte tijd weer de “ideeënpartij”[13] die ze ook al eerder (regeringen-Asquith, 1905-1914; oppositioneel “Yellow Book”-Beleidsprogram met o.a. Keynes en Beveridge in jaren’20) geweest was. Diverse academici getuigden dat ze blij verrast waren over hoe goed Grimond en zijn entourage naar hun ideeën en analyses konden luisteren, en over hoe snel de nieuwe issues en plannen meegenomen werden in het enthousiaste, energieke, innovatieve intellectuele klimaat dat Grimond in en rond zijn entourage wist te kweken. Vanaf dit moment rond 1960 kregen de Liberals vorm als de Britse partij van “the radical non-socialist center-left”, de ideologische identiteit die ze sindsdien nooit hebben opgegeven, en die de LibDems naadloos overnamen en voortzetten.[14]
Grimond zette het credo van wat “The New Liberalism” in 1963 uiteen in
zijn boek The Liberal Challenge:
·
“The conditions in which freedom can flourish
need to be constantly examined. Change and reform are
essential to a free society”.
In 1957 produceerde een vanaf 1953 werkzame werkgroep van Liberal intellectuelen de bundel “The Unservile State: Essays in Liberty & Welfare”. Dit was voor het eerst sinds het Yellow Book uit 1928 dat de Liberals zo’n grondig en meerdere issues omvattend, behandelend beleidsstuk hadden geproduceerd; het werd de start van een nog decennia voortgezette brochure-reeks onder redactie van de “Unservile State Group” in de Liberals en LibDems. Waar de “Radical”-traditie van 100 jaar eerder nog sterk naar centrale sturing neigde, belichaamde de “Unservile State Group” (de groep die een “zich niet slaafs opstellende staat” wilde) een denkstroming die weliswaar vasthield aan “collective provision of welfare services” en aan een zekere mate van overheidscontrole over de economie, maar die zich scherp afzette tegen de tendensen tot Burokratie en tot Gecentraliseerde Macht die ze in het hedendaags collectivisme op zagen treden. Bij hen eiste het Individu weer zijn vrijheden op tegenover het collectivistisch apparaat van de Welvaartsstaat. Het ideaal van de Unservile State-New Liberals was :
·
“the vision of a decentralised, participatory
society in which power and responsibility, ownership and wealth, were all widely dispersed” (T. Jones)[15]
Kort hierop ontstond er een tweede interne denktank, de “Oxford Liberal Group”, die zich manifesteerde met de bundel The Radical Alternative.
De Liberals konden zoveel academici en intellectuelen met nieuwe, innovatieve ideeën aantrekken doordat de beide grote partijen, Labour en Tories,
1. hun leiders en hun beleidsbepalende organen door hun grote omvang beter afschermden tegen input van buitenstaanders, en
2. ze daarenboven beiden gevangen leken te zitten in wat Marten Toonder wel ideologische, dogmatische “stalen denkramen” genoemd heeft, die de toegang voor nieuwe, onconventionele ideeën nog twee keer zo moeilijk maakte.
De Liberals hadden geen geld voor een staande wetenschappelijke staf (als de Fabian Society bij Labour), en stelden zich dus des te meer open voor vernieuwende ideeën en concepten uit de wetenschappelijke wereld.
Onder leiding van Grimond en Mark Bonham-Carter werd er vanaf 1960 een reeks pamfletten gestart onder de serietitel New Directions; de bedoeling was dat hierin nieuwe, door de andere partijen genegeerde of gemiste issues aan de orde werden gesteld, en dat bij de behandeling ervan diverse lijnen en substromen uit de Liberals-filosofie opnieuw met elkaar verbonden werden en op deze nieuwe issues werden losgelaten.
Daarnaast werden formele beleidsnota’s voorbereid door een aantal officieel ingestelde interne Beleidsplatforms ( over respectievelijk:
1. Consumentenbescherming,
2. Hervorming locaal bestuur
3. Transportbeleid,
4. Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (ook huren en pachten)
5. Onderwijsbeleid,
6. Buitenlandse & Commonwealth-zaken
7. Belastingkwesties en (nieuw!) over
8. Industriële aangelegenheden: management, relaties werkgever-vakbonden, nieuwe vakbonds-issues).
Deze platforms publiceerden uiteindelijk 7 nota’s die allemaal in 1962 uitkwamen, waarna ze tot en met 1967 bleven zwijgen. De “New Directions”-pamfletten kwamen in de jaren 1960-’67 zo’n twee keer per jaar uit, zo een gestage stroom nieuwe beleidspunten en –visies lancerend. In de jaren 1967-’70 verschenen nog twee beleidsnota’s (over Devolution: bestuurlijke decentralisatie naar de regio’s Ulster, Wales, Schotland en Engeland); resp. over Sociaaleconomische verhoudingen; maar verder bleef het stil.
Liberals-idee 1:
Partnership bij Sociaaleconomische- en Arbeidsverhoudingen
Op het gebied van de relatie Werkgevers-Werknemers en Sociaaleconomische verhoudingen bepleitten de Liberals bv. meer werknemersinspraak (via consultatie en via gezamenlijke jaarvergaderingen met de aandeelhouders). Door op dit gebied naar verzoening en samenwerking te streven, in plaats van naar Klassenstrijd wat de cultuur van de TUC, en dus ook de werkgevers domineerde, zette men een 1916 door premier Asquith ingezette lijn verder. In het Yellow Book uit 1928 had men een kleine tripartite raad (van vertegenwoordigers van Werkgevers, Werknemers en de Overheid) voorgesteld om de onderlinge procedures op werkgelegenheids- en arbo-gebied te bekijken, stroomlijnen en monitoren. De rode lijn in het Liberal beleidsenken op dit terrein is dat van “co-ownership”, resp. “co-partnership” van beide kampen; men wilde er primair op het niveau van het individuele bedrijf uit (proberen te) komen. Cyr constateert dat hoewel zowel Labour als de Tories op verschillende momenten in de periode 1955-'77 naar dit coöperatieve Liberal-model zijn toegekropen, ze dat geen van beide hebben doorgezet, laat staan dat het net als bij de Liberals een partijtraditie werd. De Fabians, dragers van het marxistisch gedachtengoed bij Labour, wezen “co-partnership” steeds categorisch af omdat het afbreuk doet aan “de solidariteit van de Arbeidersklasse”. En de Tories vinden dat gezien de gezagsverhoudingen in het kapitalistisch bedrijf, de werknemers nooit tot gelijkwaardig partnerschap naast de werkgevers op kunnen klimmen. Labour en Tories blijven primair gelove