D66 anno 2002: Dit is het moment!

 

door  Bernard Aris

 

A)      Terug naar de oorsprong van het Sociaal-Liberalisme: Van Houten, Radicale Bond, VDB

 

  Het Sociaal-Liberalisme kwam op toen de samenleving met name in de steden (eerst in Engeland, later in Nederland) door de Industriële Revolutie ingrijpend en structureel veranderde. De oude sociale verbanden van de localistische gilden-economie en het handelskapitalisme verdwenen, en de omvang  van de (grote) steden nam explosief toe[1]. De beginscènes van de film “Keetje Tippel” geven weer hoe tijdens de landbouwcrisis van eind 19de eeuw de armen van bv. het Friese platteland massaal naar de Hollandse steden trokken (een ander deel werd  mijnwerker in Limburg), en daar terecht kwamen in ellendige, vochtige en tochtige kelders in krottenwijken zonder riolering of straatverlichting.

  Het Sociaal-Liberalisme ontstond mede als reactie op de ellendige woon- en werkomstandigheden in de beginfasen van de Industriële Revolutie (bv. de Britse Factory Acts en het Kinderwetje van “jong-liberaal” Van Houten[2]; denk ook aan de parlementaire enquête naar Arbeidsomstandigheden van 1886: hier was een Kamermeerderheid voor nodig), en op de stedelijke verpaupering. Dat laatste gebeurde in het begin vooral op particuliere, charitatieve basis (mannen als Sarphati zijn hier terecht om geroemd), maar weldra brak het besef door dat dit onvoldoende was; de volkswijken van Amsterdam dreigden het actieterrein te worden van radicaal-socialistische agitatie, en het palingtrekkers-oproer (1886) toonde aan hoe gevaarlijk de kloof tussen overheid en proletariaat geworden was.

 

  De sociaalvoelende linkervleugel van de Nederlandse liberalen was aanvankelijk verdeeld over de Radicale Bond en de linkervleugel van de losse Liberale Unie. Door het bij liberalen diepgevoelde individualisme was het streven van de LU om alle liberale kiesverenigingen te overkoepelen vanaf het begin mislukt (bij haar oprichting in 1885 omvatte ze 62 van de 185 kiesverenigingen); RB en LU waren beide feitelijk federaties van kiesverenigingen. Buiten de RB en LU waren nog vele liberale individuen en kiesverenigingen actief, vooral op de centrum- en rechtervleugel van het Liberalisme. De linkervleugel van de LU heeft in de strijd voor algemeen kiesrecht een tijdlang het LU-bestuur gecontroleerd.

  Rond 1890 waren het de Radicalen en linkse Unieliberalen die het gemeentebestuur van Amsterdam domineerden, waar ze veel gemeentelijke nutsbedrijven oprichtten. Dit linksliberale bolwerk was ook de springplank naar het LU-bestuur en naar de Tweede Kamer, waar ze bv. de eerste Woningwet aangenomen kregen (twee kenmerkende punten hierin: overheid subsidieert woningbouwcorporaties voor volkshuisvesting, wat een concurrent wordt van huisjesmelkers; en de overheid kan een woning onbewoonbaar en dus onverhuurbaar verklaren; een ingreep in de privaatrechtelijke verhouding tussen huurder en verhuurder). De linkse Unieliberalen in het kabinet-Pierson (1897-1901) doen goed werk: minister Goeman Borgesius realiseert naast deze Woningwet ook een Gezondheidswet en de leerplicht, en minister van Justitie Cort van der Linden bouwt de Kinderbescherming op. De Amsterdamse Radicalen onder Melchior (=M..W.F.) Treub waren dan ook, gesteund door linkse LU-liberalen, erg actief op het gebied van stadsvernieuwing en volkshuisvesting. Ook bij de latere strijd voor het “premieloze ouderdomspensioen” (voorloper van Drees’ AOW!) speelden de sociaal-liberalen, in 1901 verenigd in de Vrijzinnig Democratische Bond, een hoofdrol. De Radicale Bond ging in de verder uit linkse LU-ers bestaande VDB op.

 

  De Sociaaldemocratie die rond 1890 kwam opzetten had veel doelstellingen gemeen met de Sociaal-Liberalen:

·         Algemeen Kiesrecht, ook voor vrouwen;

·         Sociale Wetgeving (de “8 Uren Mars” van de SDAP!)

·         De overheid moet een minimum aan opvang en steun geven of garanderen.

   Maar de 1894 opgerichte SDAP nam zowel het (centralistische, verzuilende) organisatiepatroon als het “Erfurter Programm” van de Duitse SPD over, waarmee ze een marxistische maatschappij-analyse en een strategie van klassenstrijd tegen de heersende klasse(n) overnam. Binnen deze strategie konden Socialisten wel als oppositiepartij sociale wetten en kiesrechtverbreding afdwingen, maar ze mochten zolang het Kapitalisme de maatschappij bepaalde niet aan enige regering deelnemen (de “Internationale” stelde: “De staat is dwang, de wet is logen…”; daar mochten marxisten niet mee samenwerken). Er ging een diepgaand debat vooraf aan het besluit om wel wethouders te leveren voor gemeentebesturen, maar Troelstra moest in 1913 tot tweemaal toe een aanbod van formateur Cort van der Linden afslaan om ministers te leveren aan een anti-confessioneel “links” kabinet (terminologie P.J. Oud in zijn handboek “Honderd Jaren(…)” dat überhaupt de bron is voor veel van deze gegevens[3] ) omdat eerst de SDAP-prominenten en daarna  het partijcongres ertegen waren. De SDAP kreeg in steden als Amsterdam wel belangrijke wethoudersposten in handen, en bouwden daar voort op de door sociaal-liberalen gelegde fundamenten, bv. de reeds opgezette gemeentelijke bedrijven, en de bestuurlijke ervaring in het managen daarvan.

  De SDAP was een typische “massa-kaderpartij” waarbinnen de Weberiaanse burokratie-verschijnselen en Ricardo Michiels’ “Yzeren Wet van de Oligarchie” dan ook vanaf het begin zijn opgetreden; de VDB heeft net als de Britse Liberals altijd meer vrijheid gelaten aan haar kiesverenigingen (en vanaf 1918: partij-afdelingen) in de gemeentes.

 

  Bij haar oprichting neemt de Vijzinnig Democratische Bond (VDB) niet alleen nadrukkelijk afstand van het rechtse Nachtwakerstaat-liberalisme van de rechtse en midden-liberalen, maar ook expliciet van het marxisme en de strategie van klassenstrijd (waaraan de “plicht” vastzat voor progressieve intellectuelen, zich onverkort met de belangen van de arbeidersklasse te solidariseren). De Radicale Bond was tegen nationalisering van productiemiddelen geweest maar wilde de “bevoegdheden die uit particulier eigendom voortvloeien inperken”; men was ook voor een meer gelijkwaardige inkomensverdeling.  In de bij haar oprichting aangenomen Beginselverklaring stelde de VDB (waarin de Radicalen opgingen) dat ze niet alleen voor kiesrecht-verbreding en gelijkstelling van man en vrouw was, maar ook voor “krachtige sociale wetgeving” om de oorzaken van maatschappelijke ongelijkheid weg te nemen. Er waren “algemeen-vrijzinnige” kiesverenigingen, die bij verkiezingen de ene keer een Unieliberaal en dan weer een VDB-er steunden, maar die buiten beide koepels bleven. Als rond 1912 de kiesrecht-kwestie hoog oplaait, organiseren VDB en SDAP ieder apart volkspetitionementen voor het algemeen kiesrecht. Aletta Jacobs, de eerste afgestudeerde vrouw, was actief in de VDB en hielp 1903 de Vereniging voor  Vrouwenkiesrecht oprichten; ze had als arts klinieken voor vrouwen in de volkswijken gestart.

  Toen de liberalen in 1912 als reactie op de twee confessionele kabinetten-Heemskerk besloten, gezamenlijk tegen confessionelen (vooral ARP en RKSP) én socialisten op te trekken, werd de VDB “ingezet” in kiesdistricten waar de SDAP sterk was; zij had het dan ook moeilijker dan de Unieliberalen en de (rechtse) “Vrije Liberalen” die het tegen de confessionele volkspartijen ARP en RKSP, resp. tegen de dito herenclub CHU op moesten nemen. Waar de LU- en VL-kandidaten vaak gekozen werden,  werden er amper VDB-ers gekozen omdat de praktische programpunten zo weinig uit elkaar lagen; de SDAP sprong van 7 naar 18 zetels. Dit is exemplarisch voor de partijpolitieke positie die de Sociaal-Liberalen in de 20ste eeuw hebben ingenomen:

·         waar de rechtsliberalen altijd makkelijk tegen het Socialisme en de Sociaaldemocratie konden polariseren,

·         moesten de Sociaal-Liberalen die veelal dezelfde korte-termijn doelstellingen en meestal dezelfde bestuursinstrumenten (bv. het oprichten van gemeentelijke bedrijven voor Waterleiding, Energie, Openbaar Vervoer, enz.) hanteren, keer op keer in debat met de “rooien”, waarbij ze hun sociaal bewogen individualisme stelden tegenover het linkse collectivisme en étatisme. Dat étatisme maakte bijvoorbeeld dat het Openbaar Onderwijs, de Nutsbedrijven en het (gemeentelijk) Openbaar Vervoer onder SDAP-wethouders pure, ambtelijke overheidsbedrijven werden, met een grote instinctieve afkeer voor iedere vorm van verzelfstandiging (zie het hedendaagse Amsterdamse GVB).

  De VDB-leider Marchant maakt in 1918 handig gebruik van de hervormingsgeest rond de Pacificatie door bij initiatiefwet het Vrouwenkiesrecht in recordtijd door de Kamer te slepen. Zijn bekendste optreden is echter in de jaren-30; na eerst als minister in een regering-Colijn hard op het Openbaar Onderwijs bezuinigd te hebben (daarin volledig gesteund door partijgenoot P.J. Oud als minister van Financiën) wordt 1935 bekend dat hijzelf tot het katholicisme bekeerd is. Als goed liberaal wijst hij erop dat iemands geloof geen direct verband met zijn politieke opstelling mag hebben (scheiding Kerk en Staat), en dat de wet hem geen ruimte gaf om even hard op het bijzonder onderwijs te bezuinigen. Maar de progressieve kritiek op zijn beleid en het vertrouwenspunt rond zijn bekering maakt zijn positie onmogelijk en hij moet eerst als minister en later als partijleider aftreden; Oud volgde hem als lijsttrekker op.

  Andere overeenkomsten tussen VDB en D66 zullen hieronder aan de orde komen.

 

 

 

 

 

 

 

B)      Het Sociaal-Liberalisme vanaf 1966: de overeenkomsten tussen D66 en de VDB, resp. tussen D66 en de Britse Liberals

 

  Het Europese Sociaal-Liberalisme kent rond 2000 drie belangrijke partijen: de Britse Liberal Democrats (die de sociaal-liberale erfenis van de Liberals, inclusief de moderniseringsimpulsen van Joe Grimond en David Steele uit de jaren 1960-’80, ten volle handhaaft en uitwerkt), het Nederlandse D66 en de Deense Radikale Venstre (die een wat aparte positie inneemt ten opzichte van de andere twee). In Vlaanderen was de modernistische vleugel van de Volksunie, waaruit eerst de “interactieve partij” ID21 en bij het uiteenvallen van de Volksunie de beweging “Spirit” voortkwamen, een actieve stroming hoewel vooralsnog onduidelijk blijft hoe ze partijpolitiek zal worden ingebed en georganiseerd.[4] De Westduitse FDP was in de jaren 1965-’81 onder Genscher duidelijk een sociaal-liberale partij, maar sinds de partij 1982 overliep van een coalitie met de SPD naar één met CDU/CSU is ze steeds rechtser geworden en is haar sociaalliberale vleugel geheel weggevallen.

 

  Als D’66 in 1966 wordt opgericht uit een losse verzameling progressieve intellectuelen die verontrust zijn over ontwikkelingen in de Nederlandse democratie heeft men het veel te druk met de opstelling van het verkiezingsprogram voor de vervroegde Kamerverkiezingen van 1967 om zich over de leidende principes en het onderliggende denken van D’66. Maar de inbreng van de linkervleugel van de VVD en van ex-leden van de linksige JOVD (die chronisch in de clinch lag met de rechtsliberale voorman Van Riel), die nadrukkelijk terugverwijzen naar de sinds 1946-’47 verweesde erfenis van de VDB, is van het begin duidelijk. Het VVD-gemeenteraadslid Hans Gruyters (uit zijn partij gezet omdat hij bij het huwelijk van Beatrix “wel wat beters te doen had”), en het Kamerlid Erwin Nypels die van 1967 tot en met 1987 vrijwel ononderbroken in de Kamer blijft zitten zijn hier de verpersoonlijking van, naast partijvoorzitter en bewindsman Henk Zeevalking en professor Jan Glastra van Loon.[5] D’66 deed 1968-’72 mee aan het streven naar een Progressieve Volkspartij, maar handhaafde haar Radicaal-Democratische streven naar staatkundige hervorming en democratisering op allerlei gebied, en het was dankzij D’66er Terlouw dat partijleider Van Mierlo met het Rapport van de Club van Rome de miljeuproblematiek definitief op de Nederlandse politieke agenda zette. Nadat bondgenoten PvdA en PPR het PVP-streven gedumpt hadden, en de polarisatiestrategie vooral de PvdA/VARA-zuil ten goede kwam stortte D’66 bijna in. De nieuwe partijleider Terlouw omschreef bij de Algemene Politieke Beschouwingen van 1976 het D’66-denken als “post-socialistisch liberalisme”, en D’66 voerde bij de Kamerverkiezingen van 1977 geheel zelfstandig campagne als het “redelijk alternatief” tegenover de overige progressieve partijen. Onder Terlouw (en in de persoon van Walter Zegveld) maakte D’66 een groot punt van industriële innovatie en democratisering van de pensioenregelingen. In de jaren 1981-’82 begon het Wetenschappelijk Bureau (SWB) van D’66 te verkennen, hoe de met de ontwikkeling van de computer naderbijkomende “informatiesamenleving” eruit zou kunnen zien; in 1982 kwam hierover de SWB-nota “Leven en werken in de Informatiesamenleving” uit.

  In 1979 waren de eerste directe verkiezingen voor het Europees Parlement (EP), en dit was binnen D’66 aanleiding voor een grote discussie of de partij zich in het EP bij de fractie der Socialistische Partijen zou aansluiten, of dat men zich bij de Liberalen zou aansluiten (er was grote sympathie voor de Britse Liberals, net als D’66 in hun land de meest uitgesproken-Europese partij). Uiteindelijk besloot men, conform de “Redelijk Alternatief”-strategie, te proberen een eigen progressieve EP-fractie op te bouwen. In 1981 kwam D’66 in het vechtkabinet Van Agt II terecht, en toen de PvdA hier al na enige maanden uitstapte besloot D’66 erin te blijven omdat anders het CDA de alleenmacht zou krijgen. Maar het feit dat D’66 tussen de twee grote partijen geen profilerende punten kon realiseren, en dat men nu niet solidair was met de PvdA leidde tot veel interne kritiek en onenigheid, en de uitslagen van de gemeente- en provinciale verkiezingen van 1981-82 vielen zwaar tegen. Voeg daarbij een via VARA en Volkskrant gevoerde PvdA-hetze en je hebt de redenen voor het dramatische verlies in najaar 1982: van 17 naar 6 Kamerzetels. Partijleider Terlouw en zijn tweede man Brinkhorst traden uit de Kamer, de partij ontredderd achterlatend. De beweging Rappèl binnen D’66 vroeg oom een “politiek partijfundament”,  en anderen meenden dat de partij door een ideologisch “etiket” naast de naam aan de kiezer moest aanduiden, waar de partij zich partijpolitiek localiseerde. Opnieuw deden degenen van zich horen die vonden dat D66 (de apostrof verdween omstreeks deze tijd uit de naam) van nature de enige echte erfgenaam van de VDB was[6]. Aangezien deze jaren tevens het hoogtepunt van de kruisrakettendiscussie kenden, werd daarbij nadrukkelijk gewezen op nog een overeenkomst tussen VDB en D66: de opstelling in de internationale politiek.

 

  De VDB was enthousiast toen uit de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog de Volkenbond verrees als internationaal (volkenrechtelijk en diplomatiek) orgaan om te voorkomen dat conflicten tussen staten wederom tot zulk massaal oorlogsgeweld konden escaleren. De VDB en SDAP waren van mening dat mede door de moderne technologie (vrachtauto’s, vliegtuigen, tanks, chemische wapens, lange afstands-geschut) je niet langer serieus kon stellen dat een klein land als Nederland te verdedigen is tegen een langdurig militair offensief; Nederland moest er dus naar streven haar souvereiniteit te beschermen door de Volkenbond optimaal te laten werken. Daarnaast speelde er in beide partijen een sterke ethische stroming mee, die uit afschuw over wapentechnologieën als gifgas en het grove lange afstandsgeschut principieel naar algehele en internationale ontwapening streefde, om zo diplomatie en volkenrecht tot de enige middelen te maken waarlangs internationale conflicten beslecht kunnen worden[7]. Daarnaast is de VDB vanuit haar liberale traditie overtuigd voorstander van Vrijhandel en internationale economische samenwerking.

  Bij de Algemene Beschouwingen van 1922 baart de nieuwe ARP-leider Colijn opzien door in zijn eerste termijn ook te stellen dat een langdurige verdedigingsoorlog voor Nederland niet meer vol te houden is en dat men dus naar versterking van de Volkenbond en bezuinigingen op Defensie moet streven; maar verontwaardigde protesten uit CHU- en RKSP-hoek doen hem deze woorden in zijn tweede termijn terugnemen. En over ontwapening en waar wapens nog wel voor gebruikt konden worden dacht de ARP duidelijk anders dan de VDB en de SDAP. De ARP verheerlijkte de vestiging door J.P. Coen en Willem I van ons Nederlands-Indische eilandenrijk, en wilde dit rijk nog zo’n 300 jaar behouden (aldus de ARPer De Jonge, die 1933-’39 Gouverneur-Generaal in Nederlands Indië was in zijn memoires); daarvoor was een sterke Nederlandse Marine nodig. Bij de VDB was meer oor voor het streven de Inlanders daar via een “ethisch” koloniaal beleid op te voeden tot ze op eigen benen konden staan; de termijn die men hiervoor hanteerde was zeker korter dan 300 jaar. En bij de SDAP bestond uit marxistische afwijzing van imperialisme groot verzet tegen ieder behoud van ons koloniaal bezit, zeker als dat met militair geweld gebeurde.[8]

 

  D’66 Is vanaf haar oprichting een overtuigd internationalistische en Europese partij geweest. Het “Appèl  aan iedere Nederlander die ernstig ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie” van najaar 1966, dat de aanleiding was om D’66 op te richten, kende een onderdeel getiteld “enige uitgangspunten voor het politieke program van eventueel te stichten D’66”, waarin (in punt 2) gesteld werd dat nu steeds meer beslissingen die vroeger door de nationale regering(en) werden genomen, op Europees niveau genomen gingen worden, de in punt 1 (voor Nederland) geëiste radicale democratisering ook voor de EEG gold. Punt 5 pleitte voor het rechtstreeks verkiezen van het Europees Parlement, en het daardoor zodanig op- en uitbouwen van haar bevoegdheden dat het een volwaardig parlement zou worden. Als die rechtstreekse verkiezing er niet kwam, mocht Nederland niet meewerken aan verdere Europese integratie. En punt 28 pleitte voor een met meer zelfstandigheid en fantasie, minder door blok-denken verstarde buitenlandse politiek. Letterlijk stelde men:

·           “(…) het uitgangspunt van iedere buitenlandse politiek moet zijn de handhaving van internationale vrede  en veiligheid en een zo groot mogelijke welvaart voor allen, met name in de ontwikkelingslanden. De handhaving van internationale vrede en veiligheid vereist steun aan het streven naar vermindering van spanning in de wereld, en een verdere ontwikkeling van de internationale rechtsorde.(…)”

  Men stelde dat goed meedoen in de NAVO dit toewerken naar détente en verbetering van de Oost-West-contacten in Europa niet in de weg hoefde te staan. De Atlantische band zou door zo’n eigenzinnige, op “eigen denkwerk” gebaseerde, constructieve Nederlandse opstelling juist verrijkt worden. Men wees de Gaullistische hegemoniepolitiek in Europa af; D’66 wilde dat Nederland de nonproliferatie van kernwapens bevordert, en “het streven naar wapenbeheersing, wapenvermindering en ontwapening” steunt.[9]

  In de praktische politiek is D’66 altijd een voorstander van verdergaande Europese integratie geweest, echter wel steeds onder voorwaarde dat de EG eerst verder gedemocratiseerd werd. Net als onze zusterpartij, de Britse Liberals, was D’66 ook in de jaren dat we niet in het Europees Parlement zaten, voorstander van (de overdracht van) nieuwe bevoegdheden voor dat parlement. Waar de Liberals onder Jo Grimond vanaf rond 1960 (als enige Britse partij) eensgezinde voorstanders waren van Britse toetreding tot de EEG,  stond de wens van Britse toetreding in het allereerste verkiezingsprogram van D’66 uit december 1966.[10]

  Het D’66-denken over een eigen Nederlandse rol in de NAVO en over wapenbeheersing en ontwapening kende sterke echo’s in de discussie binnen de partij over welke opstelling D’66 in moest nemen in het zogenaamde “kruisraketten-debat” van 1979-’86; D’66 steunde uiteindelijk de grote anti-plaatsingsdemonstraties in 1981 en 1983, en kaderleden deden mee aan het gelijkgezinde Volkspetitionement in 1985. In het blad van ons Wetenschappelijk Bureau, Idee’66, werd tijdens het interne debat expliciet terugverwezen naar- en gedebateerd over hoe de VDB zich over Vredespolitiek had opgesteld, en hoeveel we verder met de VDB gemeen hebben[11].

 

  In zijn bijdrage aan het jaarboek 1991 van het Documentatiecentrum Politieke Partijen “D66 als de rechtmatige erfgenaam van de Vrijzinnige Democratische Bond” [12] schrijft Jacob Kohnstamm dat de VDB en D66, naast hun pragmatische, weinig ideologische politieke opstelling, hun prioriteit voor staatkundige hervormingen, en hun uitgaan van het positieve vrijheidsidee ter definitie van de overheidsrol, ook hun opstelling ten opzichte van nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en ideeën gemeen hebben. Over dit laatste schrijft hij:

·         “Als het gaat om de opstelling tegenover nieuwe maatschappelijkeontwikkelingen, groepen en ideeën zijn er eveneens markante verschillen tussen de VDB en D66 enerzijds, en de conservatief-liberale- en sociaaldemocratische partijen van toen en nu anderzijds.  Sociaaldemocraten waren en zijn geneigd vooral op te komen voor de belangen van de klassieke “onderkant” van de samenleving, de arbeidersklasse. Conservatief-Liberalen hechten in de politieke praktijk overwegende waarde aan het handhaven van de status quo, en dan met name ten aanzien van verdelingsvraagstukken. Oude en moderne Vrijzinnig-Democraten komen daarentegen sterk op voorgroepen die op een andere manier dan gebruikelijk in de knel zitten. Enkele voorbeelden uit de tijd van de VDB zijn:

1.        alle vrouwen (ook die uit de kringen van de gegoede burgerij),

2.        contract-ambtenaren;

3.        pachtboeren;

·         en uit de tijd van D66:

1.        alleenstaanden (ongeacht hun sociaal-economische status),

2.        bij niet-erkende vakbonden aangesloten werknemers ( ook als het om hoger- en middelbaar personeel gaat),

3.        slachtoffers van de pensioenbreuk.”

 

  Kohnstamm merkt verder op dat waar Sociaaldemocraten en Conservatief-Liberalen nauw verweven zijn met de belangenorganisaties die gevestigde belangen verdedigen, zij daardoor vanaf het begin minder open staan voor nieuwe groepen en nieuwe issues.

 

  Uit het bovenstaande is goed te verklaren dat toen D66 (na 5 jaar afwezigheid) in 1989 terugkeerde in het Europese Parlement, ze zich daar weldra aansloot bij de Liberale fractie, waar we hechte banden opbouwden met de 1988 uit de Liberals en SDP voortgekomen Britse Liberal Democrats. Ons Europarlementslid Jan Willem Bertens droeg in zijn verdediging van zijn toetreding, en bij het rapporten over zijn werk in het EP, deze goede band ook enthousiast uit. Maar Hans van Mierlo, van 1986 tot en met 1997 weer politiek leider van D66, heeft nooit veel gevoeld voor een kwalificatie van D66 in het conventionele partijpolitieke en ideologische spectrum, dus de geluiden dat we eigenlijk sociaal- of links-liberaal waren bleven in deze tijd gedempt. Maar na zijn terugtreden en na de nederlaag bij de verkiezingen van 1998 (van 24 naar 14 Kamerzetels, na in de peilingen tot rond 8 teruggezakt te zijn) komt de interne beweging “Opschudding” die een nieuwe, jonge generatie in de partij helpt lanceren, met een reeks hervormingsvoorstellen, waaronder het idee ons expliciet tot het “sociaal-liberalisme” te bekennen. Dit wordt door een enthousiast partijcongres overgenomen, en helpt de band met de LibDems verdiepen; na jarenlang “waarnemer” geweest te zijn, treedt D66 kort hierna ook toe tot de Liberale Internationale. Het liberale verkiezingsprogram voor de Europese Verkiezingen van 1999 werd gekenmerkt door een hoog LibDems-D66-gehalte. En net als de VDB (voorstander vahn afschaffing van de Eerste Kamer en van het referendum) bleef en blijft D66 daarnaast ook een “radicaal-democratische” beweging tegenover de andere partijen.[13]

 

C)      De sociaal-liberale partij D66 anno 2002: oude en nieuwe kroonjuwelen.

 

  In een interview[14] (samen met Roger van Boxtel) over de D66-benadering van het Grote Stedenbeleid vertelt Kohnstamm wat bij zijn aantreden als Staatssecretaris Grote Stedenbeleid (op het ministerie van Binnenlandse Zaken) al snel zijn inhoudelijke doelstelling werd; de bewoordingen herinneren sterk aan wat ook de Radicale Bonders en VDB-ers gemotiveerd zal hebben:

·           “Onze samenleving wil noch kan leven met té grote verschillen in perspectief  tussen mensen die op een steenworp afstand van elkaar wonen. (…) [Een] wél na te streven doelstelling is dat we ervoor proberen te zorgen dat iedereen optimaal zijn/haar maatschappelijke potentie aanspreekt en uitbuit. En daarvoor is nodig dat een groot aantal instanties zoals scholen, woningbouwcorporaties, welzijnsinstellingen, organisaties van werkgevers en werknemers en ook sportorganisaties (..) op de één of andere manier samen met de overheid de handen ineenslaan. Dus niet alleen maar de gebruikelijke vangnetorganisaties hanteren, maar daarnaast ook arbeidsbureau’s en vooral ook de mensen erbij te betrekken die niet vanuit de quartaire sector de wereld inkijken, en werkgelegeheid maken.”

 

  En er is door de D66-bewindspersonen Kohnstamm en Van Boxtel (1994-2002) op het gebied van Grote Steden- & Integratiebeleid ongetwijfeld veel nuttig werk verricht en er zijn fundamenten gelegd waarop kan worden voortgebouwd. In zijn studieboek “Lokaal bestuur” schrijft de bestuurskunde-professor Wim Derksen over wat Kohnstamm realiseerde dat juist doordat hij zonder enige staf of eigen (ministeriële) competentie begon,  Kohnstamm gedwongen was “nieuwe beleidsinstrumenten te beproeven” waarin hij “zonder meer geslaagd” is. Door vanaf 1995 convenanten af te sluiten met steeds meer “Grote “Steden” waarin gezamenlijke afspraken en intenties werden vastgelegd en van toetsingskaders en benchmarks voorzien werden, werd de relatie tussen rijksoverheid en locaal bestuur “op een moderne leest geschoeid”. Tegelijk werden de convenant-partnersteden aangemoedigd zogenaamde “stadsvisies” te ontwikkelen; de daarbij door Kohnstamm ingestelde Visitatiecommissie rapporteerde 1999 dat men nog teveel nadruk had gelegd op bestuurlijke vernieuwing, maar dat het tijd werd om over te stappen op de beleidsinhoud. De bestuurskundige Denters en het CPB rapporteerden 2000, los van elkaar, dat de steden nog teveel klakkeloos van elkaar overnamen, en nog te weinig rekening hielden met/inspeelden op de verscheidenheid van de problematieken in iedere stad[15]. En in een na de verkiezingen van mei 2002 verschenen kritisch artikel in NRC Handelsblad over hoe in bv. Rotterdam de toestand zo uit de hand kon lopen dat Fortuyn plenty praktijkvoorbeelden had van het “ontsporen van het integratiebeleid” om zijn populistische protestbeweging mee te lanceren, staat dat het PvdA-gemeentebestuur de door het Haagse convenant en afspraken met Van Boxtel opgelegde structurering van het grote stads-beleidsapparaat op hoogst onpraktische, onoverzichtelijke wijze verweefde met de van 13 jaar “Sociale Vernieuwing” geërfde eigen apparaat-opbouw zodat niemand meer wist wie precies waarvoor verantwoordelijk was, en er meer versplinterd geploeterd werd dan dat men nieuwe vormen van samenwerking en synergie kon opbouwen. Volgens NRC Handelsblad is een kort voor de verkiezingen geforemeerde locale studiecommissie tot de conclusie gekomen dat er in die bestuurlijke wirwar gesaneerd en gestroomlijnd moet worden; dit rapport zou nu bij het nieuwe, dualistische gemeentebestuur liggen.[16] Maar het pleidooi, mei 2002, van de 21 “Grote steden” aan de (in)formateur van de nieuwe regering om de portefeuille Grote Stedenbeleid weer aan een minister toe te vertrouwen, en het niet meer aan een staatssecretaris (wat Kohnstamm geweest was) toe te vertrouwen, geeft aan dat mede door de convenantenpolitiek Van Boxtel een groot draagvlak heeft geschapen voor voortzetting van dit D66-beleid.[17]

 

   D66 heeft, juist vanuit haar Grote Stedenbeleid, de afgelopen 8 jaar tevens een grote expertise opgebouwd in wat het “hotste issue” van de campagne 2002 was: het Integratiebeleid. De multiculturele samenleving is evenzeer een structurele wijziging in, van de samenleving als de industrialisatie en verstedelijking dat in de 19de eeuw was, en heeft evenzeer gezorgd voor de komst van nieuwe bevolkingsgroepen in de steden (eerst voornamelijk de grote, later ook de kleinere). Nu het CDA, in plaats van de “souvereiniteit in eigen kring” van de moslims integraal heilig te verklaren, net als de LPF uit wil gaan van de dominante (christelijke) Nederlandse cultuur[18], is het wederom aan de Sociaal-Liberalen om zich om de positie in dit kader van de individuele nieuwe (en oude) allochtonen te bekommeren. Hoewel D66 en de andere Paarse partijen forse electorale verliezen leden, wezen de 33.000 voorkeurstemmen voor haar Grote Steden- & Integratie-minister Roger van Boxtel op grote waardering onder de D66-kiezers voor wat hij op dit terrein gedaan heeft. En het past natuurlijk volledig in wat VDB en D66 volgens Kohnstamm gemeen hadden: het zich als eerste bezighouden met nieuw-opkomende problematieken en dito groepen in de bevolking.

  Nu Roger van Boxtel naar aanleiding van de verkiezingsuitslag besloten heeft, ondanks deze brede waardering in eigen kring af te treden, moet D66 tonen dat het GSI-beleid  een partijbreed gedragen zaak is. Gelukkig heeft ze in haar senator Jacob Kohnstamm nog een ex-bewindsman met veel ervaring op dit beleidsterrein, en vanuit onze Sociaal-Liberale traditie weten we wat belangrijk is, en het is de taak van een Tweede Kamerfractie om zoiets uit te dragen. Een probleem is dat D66 niet meer in het bestuur van de 10 grootste steden zit, maar we hebben ons redelijk kunnen handhaven in raadszetels, en na de verkiezingen van voorjaar 2002 is de hele partij erop gespitst zich terug te vechten, en het ons door de Fortuynisten aangedane onrecht terecht te wijzen.

 

  Uit het D66-jubileumboek “Een blijvend appél / 35 jaar werken aan vernieuwing” van december 2001 zijn ook gemakkelijk de andere “new issues” te halen waarop D66 een rijke traditie heeft opgebouwd, en waarop nu moet worden voortgegaan.

·         De stukken van Elida Wessel en Boris Dittrich geven de geschiedenis van onze opstelling inzake ethische, immateriële kwesties, die na de grote winst van het CDA en gezien het blanco program op dit punt van de Lijst Pim Fortuyn weer op de tocht lijken te staan. Stefanie van Vliet schetst de “stille revolutie van Els Borst”, waarop ook voortgebouwd kan worden.

·         In zijn artikel roept Hans van Mierlo de partij op, waakzaam te zijn over de verarming van de publieke ruimte en overheidszorg (hij schreef dit in september 2001, ver voor de spectaculaire doorbraak van Fortuyn), en om de radicaal-democratiserende beweging tegenover de andere partijen te blijven. Jan Vis werkt dit laatste in zijn bijdrage nader uit. En ook de Duitse journalist Siggi Weidemann heeft het over de eeuwig optimistische zelfstandigheid waarmee D66 partijpolitiek bedrijft; volgens hem zijn wij bij uitstek in staat, het gegroeide protest tegen de “globalisering” voor ons te winnen: we hebben volgens hem “de mogelijkheden en de politieke taal om afgemeten en geloofwaardig op de nieuwe culturele ontwikkeling te kunnen reageren”.

·         In hun dubbelinterview met Frits van der Schans geven Doeke Eisma en Laurens-Jan Brinkhorst aan hoe D66 werk wil maken van de problematiek van “Voedsel en Groen vanuit Europees perspectief”; Marga Kool geeft in haar bijdrage, op basis van samenspraak met Ineke Lambers-Hacquebard, goed weer hoe de D66-opstelling inzake miljeu altijd is voortgekomen uit de attitude waarmee D66ers altijd in de politiek gestaan en gewerkt hebben: Marga in de provincie Drenthe, Ineke op nationaal niveau. Ook hier is bestuurlijke vernieuwing een belangrijk aspect. En ze constateren dat veel D66-ideetjes eerst als té nieuwerwets door de overige partijen worden weggestemd, waarna die anderen het een jaar later als hun initiatief weer lanceren en binnenhalen. Een ervaring die iedere D66-politicus maar al te goed kent; maar ze zeggen: “Dat maakt niet uit, al is het wel wat ondankbaar. Maar wat telt is het resultaat!”.

·         Erwin Nypels geeft de vooral door hemzelf verpersoonlijkte eigenzinnige D66-benadering van alles wat met pensoenwetgeving en –besluitvorming te maken heeft weer; het recente initiatief-wetsvoorstel van Francine Giskes ligt volstrekt in deze lijn, die ook al tot uiting kwam in Erwins succesvolle initiatiefwetten uit 1980-’90. Waarschijnlijk schreef hij de punten op dit issue in het concept-program dat in 1966 bij het Appèl zat.

·         Het stuk van Louise Groenman gaat over ons “sociale gezicht”, inclusief het issue van de vrouwenemancipatie en de combinatie van zorg en werk. Hier treedt D66 regelrecht in de voetsporen van Marchant en Aletta Jacobs, en heeft Annelies Verstand belangrijke zaken tot stand gebracht die te weinig aandacht hebben getrokken. Louise geeft een inspirerend beeld van hoe D66 in 1982-’86, toen we net als nu scherp in publiciteit terugvielen, op dit punt actief is gebleven; uit deze periode dateerde ook haar initiatiefwet over de winkelsluitingstijden dat, hoewel het stukliep, zonder meer aan het D66-profiel in die jaren heeft bijgedragen.

·         We mogen hoop blijven putten uit het feit dat de leiders van de veel grotere partij Liberal Democrats, Charles Kennedy, in ons jubileumboek een hartelijk en ondersteunende bijdrage schrijft; hij voelt zich (hem kennende) zeker niet thuis bij partijen waarvan de partijvoorzitter ook al is het maar tijdelijk, roepen dat de kiezers met “Jip en Janneke”-taal benaderd moeten worden om door hen begrepen te worden. Hoe hard de kiezers de Liberals en D66 ook afgestraft hebben, we zijn nooit opgehouden hen op ieder moment serieus te nemen en op volwassenen-niveau te benaderen.

·         Arthur Olof geeft een overzicht van hoe D66ers op locaal niveau, zelfs in tijden van tegenwind als 1973-’77 en 1981-’86, door permanent campagne te voeren en gewoon op de D66-lijnen door te blijven werken, successen binnegehaald hebben.

·         En Jasper Hörmann en Thom de Graaf geven aan wat de lijnen voor de toekomst kunnen zijn.

 

  Een speciale plaats geef ik in dit verband aan de bijdrage aan het boek van minister Roger van Boxtel over het ICT-beleid van D66 vanaf de boven al genoemde notitie “Leven en werken in de informatiemattschappij”.  Met de website www.overheid.nl heeft hij een blijvende erfenis op het internet achtergelaten die de burgers effectief dichterbij het bestuur brengt, en dezer dagen lanceert hij als demissionair bewindsman nog een bewakings-instantie tegen hackers en mensen die internet als netwerk aan willen vallen of (gedeeltelijk) plat willen leggen. Volgens mijn strikt persoonlijke mening is dit een terrein waar D66 zich de historische en strategische voorsprong die we hebben opgebouwd, niet meer uit handen mogen laten glippen. De lijnen hierbij (waaronder bv. de “digitale trapveldjes” voor minder vanzelf met het internet in contact komende groepen) worden door Van Boxtel volgens mij goed uitgezet, maar ik geef dit laatste graag voor een betere.



[1] Zie het eerste essay in Geert Maks essaybundel over de samenlevingsopbouw en problemen van Amsterdam “De engel van Amsterdam” (Pandora Pockets/Contact, s.l., 2001 (1993), p.13-64), over de groei van Amsterdam vanaf haar stichting.

[2] In zijn latere leven werd Van houten echter steeds conservatiever, en een vijand van de Radicale Bond en VDB; vandaar dat ik hem nadrukkelijk als “jong liberaal” aanduidt.

[3] P.J. Oud, “Honderd Jaren / Een eeuw staatkundige vormgeving in Nederland (1840-1940)”, Van Gorcum, Assen, (vijfde druk)1971, vanaf blz. 154 (= vanaf de Kamerverkiezingen van 1891) passim.

[4] Zie over de Liberal Democrats, hun denken en de samenstelling van de partij de bundel onder redactie van Don MacIver, The Liberal Democrats, Prentice Hall/ Harvester Wheatsheaf, London etc., 1996; over de modernistische, sociaalliberale stroming van de Volksunie, ook in Europees perspectief de bundel onder redactie van Sven Gatz en Patrick Stouthuysen, Een Vierde Weg? Links-liberalisme als traditie en oriëntatiepunt, VUB Press, Brussel 2001, speciaal M. Wagemans artikel over wie in Europa links-, radicaal- en/of sociaal-liberaal is (ibidem, p.105-136).

[5] Cf. Vivian Voss & Herman Schaper, Beeld van een partij / Documentaire geschiedenis van D’66,  De Haan, Haarlem, 1981, p. 19-20.

[6] Over het PVP-streven: ibidem, p. 68-114 passim; over de wederopstanding als “Redelijk Alternatief”: ibidem, p. 132-155; over het debat rond de positionering bij de Europese Verkiezingen: ibidem, p. 163-166.  Over de innovatie: Terlouws artikel in het jubileumboek van D66: J. Veldhuizen (c.s.), red., D66: een blijvend appèl / 35 jaar werken aan vernieuwing; uitgave D66, Den Haag, 2001, p. 50-54; over het vooruitdenken over de Informatiesamenleving cf. het artikel van minister Roger van Boxtel in dat junileumboek: inidem, p. 54; over de “etikettendiscussie” in 1981-’83 cf. het artikel van Voerman en Lucardie in ibidem, p. 109-110, resp. het artikel van Verbeeck en Hesseling, in ibidem, p. 116-7.

[7] In de versie uit 1936 van de Beginselverklaring van de VDB, die amper afweek van de eerdere versies, stelde punt III letterlijk: “Het streven moet worden gericht op de ontwikkeling der internationale rechtsorde-organisatie, waarin met uitbanning van de oorlog, de beslechting van geschillen langs vreedzame we, en de rechtsorde is verzekerd”. Cf. J. Harmsen: “Documentaire bijlage VDB”, waarschijnlijk ook opgenomen in het Jaarboek 1991 van het Documentatiecentrum Politieke Partijen; te vinden op de website:  www.ub.rug.nl/eldoc/dnpp/pp/pvda/1991vdb/h9pdf . Zie ook hieronder de noot over Kohnstamms vergelijking VDB-D66.

[8] Over het bezuinigingsstreven op Defensie van VDB en SDAP in de jaren’20 zie bijvoorbeeld: Oud, Honderd Jaren,  p. 247-9, 254-259; Colijns interventie op p. 254-5.

[9] Zie het via Polak & van Gennep verspreide “Appèl (…)”, onder andere afgedrukt (op p. 26-31) in de 1979 uitgegeven interne scholingsbrochure “De Geschiedenis van D’66” van Pieter Fokkink. Ook het bij het oprichtingscongres aangenomen eerste verkiezingsprogram van D’66 (ibidem, p. 33-37) bevatte deze voorstellen.

[10] Toen de regering-Macmillan in 1959 een goedkeuringsmotie in het House of Commons indiende over haar toetreding tot de EFTA, diende de hele Liberals-fractie prompt een amendement in dat betreurde dat men niet tot de EEG was toegetreden. Deze sindsdien consequent volgehouden Europese lijn van de Liberals werd in de loop van de jaren’60 gezien als een belangrijke verrijking en herijking van het Britse politieke debat. Toen de Tory-premiers Macmillan en Heath in resp. 1961 en 1971 om toetreding verzochten, steunden de Liberals hen voluit. Cf. de memoires van partijleider Jeremy Thorpe, “In my own time”, Politico’s, London, 1999, p. 184-5; zie ook A. Sked & C. Cook, “Post-War Britain, a political history”, Penguin Books (4th. Ed), 1993, p. 150, 180, 193-194. Zowel Liberals als D’66 waren al in de jaren’60 felle tegenstanders van Apartheid.

[11] Zie bv. de artikelen van Van Oerle en M.H. Kleinsma in de nummers van eind 1982-begin 1983. In het afdelingsblad van Eindhoven verscheen april 1983 ook een redactioneel verhaal dat D66 en VDB feitelijk een identieke politieke identiteit hadden. (Infobulletin D66 Eindhoven, Nr. 17, april 1983, p. 13-16).

[12] Online te raadplegen op: www.ub.rug.nl/eldoc/dnpp/pvda/1991vdb/h8pdf  .

[13] Zie over het optreden van D66 in het Europees Parlement het artikel van J.W. Bertens en L. van der Laan in het jubileumboek van D66: : J. Veldhuizen (c.s.), red., D66: een blijvend appèl, p. 36-41. Zie ook het eerder vermelde artikel van Voerman en Lucardie over het partijpolitieke karakter van D66 in hetzelfde boek, p. 109-111.

[14] Dit komt uit een dubbelinterview  met Kohnstamm en minister Roger van Boxtel in het jubileumboek van D66:  (S. Dingemans & S. Verbeeck), Geen hout of steen maar mensen [ een interview over de integrale aanpak van de Grote Steden-Problematiek]”, in: J. Veldhuizen (c.s.), red., D66: een blijvend appèl, p.74-79. Deze passage staat op p. 76.

[15] W. Derksen, Lokaal bestuur, Elseviers bedrijfsinformatie, ’s Gravenhage (3de druk) 2001, p. 159-160.

[16] NRC Handelsblad, Z-bijlage p. 3, 18 mei 2002.

[17] Cf. het ANP-bericht hierover, onder andere in HetFinancieele Dagblad, 4 juni 2002.

[18] De politiek commentator van Trouw Hans Goslinga wijst erop dat Balkenende’s benadering recht ingaat tegen de teneur van het WRR-rapport “Nederland als immigratiesamenleving” van najaar 2001. Waar Balkenende vindt dat de allochtonen zich “onze waarden eigen [moeten] maken” en zegt dat “de multiculturele samenleving niet iets is om naar te streven”, zegt de WRR dat juist die culturele diversiteit de ruimte moet krijgen, bv. door het kunnen hebben van een dubbele nationaliteit. Goslinga over de WRR-visie: “het gaat niet langer om de toegang tot het land,  maar om de toegang tot de instituties van onze sociale rechtsstaat (…) niet de samenleving als gemeenschap is het uitgangspunt, maar (..) het gebruik van de samenleving.”  In een eerder artikel zei Goslinga dat de WRR hiermee voortbouwt op de stelling van minister Van Boxtel dat Nederland een immigratieland is; de WRR wil dat we niet langer “tegen wil en dank” immigratieland zijn. Bron: H. Goslinga, “CDA zet debat op scherp” (origineel veschenen in Trouw, 2/2/2002), resp. “Moslims en het natiegevoel” (orig. Trouw, 13/10/2001), in Trow dossier nr. 18: “Breedveld & Goslinga, commentator in Verkiezingstijd”; Trouw/Rainbow Pockets/Muntinga,  Amsterdam, 2002, p. (CDA:) 114-117, resp. 111-114.